Je komt op verhaal in de Achterhoek.
Het Achterhoeks Bureau voor Toerisme hanteert de slogan:
Je komt op verhaal in de Achterhoek.
Deze slogan heeft een dubbele betekenis:
Ten eerste is er heel veel te vertellen en zijn er boeiende verhalen in de Achterhoek,
maar ook heeft het de betekenis dat je in de Achterhoek weer op verhaal kunt komen.
Even uitblazen ...........

Volksgeloof en streekcultuur
Het aardige van streeklegendes en streekcultuur is dat ze nauwelijks berusten op historische feiten. Sterker nog, historische feiten hebben vaak een ontkrachtende werking op deze verhalen. Immers, niets is zo funest voor de fantasie als de wetenschap dat bijvoorbeeld de Witte Wieven in feite niet veel meer waren dan nevelslierten boven heidevelden. Maar gebruik je verbeelding dan kun je je voorstellen dat angstige reizigers in die mistflarden de tentakels van boosaardige verschijningen zagen.

Kometen, vallende sterren, opvallende kleuren van de hemel worden beschouwd als belangrijke voortekenen in vrijwel alle culturen. In de Achterhoek had men ook de dwaallichten, die plotseling opvlamden langs de weg. Dwaallichten worden beschouwd als de zieltjes van ongedoopte kinderen.

Zo doen er heel veel onwaarschijnlijke en merkwaardige verhalen de ronde in het Achterhoekse land. De pragmaticus zal veel van die verhalen kunnen beredeneren en zo een stukje van de magie weghalen. Helaas hebben ook de straatlantaarns ervoor gezorgd dat de volksfantasie nauwelijks nieuw voedsel meer krijgt. Maar toch: er is meer tussen hemel en aarde, want lang niet alles is volgens de heersende natuurwetten te verklaren. En zo is het altijd al geweest…

Algemeen wordt de stichting van de kapel door Ludger in 801 als stichtingsdatum van Zelhem gezien. Opgravingen zoals de recente bij het tracé van de rondweg laten echter zien dat er al veel vroeger mensen woonden in deze streek. Mensen met oeroude gebruiken en levenwijzen, die weliswaar door het christendom naar de achtergrond werden gedreven, maar nooit helemaal verdwenen. Uit deze voorchristelijke tijden is heel weinig overgebleven, omdat deze mensen domweg niet konden schrijven en ook omdat het christelijke zendelingen niet zo zachtzinnig omging met de heidense heiligdommen. Heilige eiken werden omgekapt en op andere plaatsen werden kapellen op de oorspronkelijke offerplaatsen gebouwd. Het zou dan ook interessant zijn om te weten waarom Ludger juist op deze plaats in Zelhem de kapel bouwde.

Met voorchristelijke tijden bedoelen we in deze streek van het land de periode voor 785 na Chr., toen Karel de Grote de inwoners van het Saksische gebied (grofweg Oost-Nederland en Noord Duitsland) gedwongen tot het christendom bekeerde. De bewoners werden gedwongen om een gelofte af te leggen, om daarna gedoopt te worden. De gelofte hield het afzweren van zijn oude goden in, en was tevens een belijdenis van het geloof in de belangrijkste personen van het nieuwe geloof, de christelijke drie-eenheid. De christelijke drieëenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest, wordt erin afgezet tegen een Germaanse drieëenheid van Donar, Wodan en Saxnot.

Wodan (Odin, volgens de noordelijkste Germaanse stammen) was de wereldbeheerser, de Germaanse oppergod. Hij werd beschouwd als de god van de storm, de oorlog en de dood. De helft van de gevallenen op het slagveld hoorde hem toe. Hij was tevens de god van de wijsheid en de poëzie. Hangend aan een boom, doorboord met zijn eigen speer, zou hij de runetekens hebben geleerd. Zijn naam is blijven hangen in onze dagnaam ‘woensdag’.

Saxnot, de stamgod van de Saksers, moet identiek zijn aan Tiwaz. Hij was de god van oorlog, recht, en procedures als volksvergaderingen en rechtspraak. Sommigen beschouwen Tiwaz (Saxnot) als de oorspronkelijke oppergod, die later door Odin/Wodan zou zijn verdrongen. Tiwaz wordt vaak afgebeeld met één hand. We herinneren Tiwaz in onze dagnaam ‘dinsdag’.

Thor of Donar was de god van de krijgers. Met hem verbonden waren de donder, het onweer en de vruchtbaarheid.. En zijn dag is ‘donderdag’.
Met de gedwongen kerstening was het Germaanse religie natuurlijk niet verdwenen. Gedurende de middeleeuwen bleven er berichten verschijnen dat priesters er voor dienden te zorgen dat de bevolking zich niet opnieuw zou overgeven aan het heidendom. De oorzaak ligt in de begintijd van de bekering, de 7e tot 9e eeuw. Toen is het christendom door politieke en praktische bezwaren er niet in geslaagd de heidense gebruiken te niet te doen. Ten eerste werd de christelijke zending door de Frankische koningen gebruikt als politiek drukmiddel om de onderworpen volken er onder te houden. Als zodanig was de bekering vaak geen zaak van innerlijke overtuiging, maar van puur lijfsbehoud.
De loop van de zon is voor heel veel jaarfeesten de regulerende factor, met als hoogtepunten de midzomernacht en de midwinternacht. Dat is overigens in vrijwel alle culturen het geval. Het is nauwelijks meer na te gaan of al onze jaarfeesten oorspronkelijk heidense feesten waren, danwel of de christelijke kerk ze heeft ingevoerd. De kerk probeerde zoveel mogelijk bestaande elementen en tradities over te nemen. Zo konden de volkeren, die meestal niet konden lezen en schrijven, immers makkelijk wennen aan het nieuwe geloof. De grens tussen geloof en bijgeloof was dus veelal smal. Er was enkele eeuwen geleden sprake van een situatie waarin het Christendom als hoofdgodsdienst overheerste, en waarin tal van godsdienstige gebruiken en voorstellingen uit de Germaanse belevingswereld op een ondergeschikte plaats konden voortleven (soms tot in de 20e eeuw), waarbij de mensen die er zich mee bezig hielden niet meer op de hoogte waren van hun oorspronkelijke achtergronden.
In deze streek was de winter de periode waarin de meeste feesten werden gevierd. De meeste bewoners waren landbouwers die in de zomerperiode hun voedsel moesten verbouwen. Ze hadden domweg geen tijd om veel feest te vieren. De feesten zijn in te delen in 4 groepen:

1. De voorjaars- en meifeesten
2. De midzomerfeesten
3. De oogstfeesten
4. De Midwinterfeesten

Het is interessant om de verschillende jaarfeesten onder de loep te nemen in verband met symbolische betekenis en wortels uit het verleden. Het ritme van de seizoenen is een belangrijk gegeven in het leven van de plattelander. Bij de vaststelling van de kalender lopen christelijk en voor-christelijke jaarfeesten door elkaar.

Walpurgisnacht (30 april op 1 mei)
Van oorsprong spookten de heksen in deze nacht om het hardst. Sint Walpurgis was de abdis van het Benedictijner klooster in Heidenheim. Ze is vooral bekend om haar strijd tegen tovenarij. In deze streek denkt men bij heksen (naast Smoks Hanne) het eerst aan de Witte Wieven. In de laatste eeuwen worden ze voorgesteld als witte gedaanten. Als ‘Witte Wieven’ vertaald wordt als ‘Wijze Vrouwen’, zoals nogal eens gebeurt, wordt ervan uitgegaan dat het ‘Witte’ afkomstig is van het Indogermaanse woord ‘wid’, weten. Met deze verklaring wordt tevens verband gelegd tussen de Witte Wieven en de Keltische druïden waarin tevens het ‘wid’ herkenbaar is (druwid). De verleiding is dan groot om de Witte Wieven te zien als in het wit geklede priesteressen. Er is ook een andere verklaring mogelijk, meer toegespitst op de Nedersaksische omgeving van hun verschijning. Het ‘Witte’ van Witte Wieven betekende in vroeger tijden ‘Wodan’. De Saksische leider Wittekind of Widukind heette in zijn eigen taal ‘Wodanskind’ of ‘Zoon van Wodan’. Als we Witte Wieven willen terugvoeren op hun Germaanse oorsprong, zullen we de naam moeten zien binnen de Saksisch-Germaanse taalwereld. Witte Wieven waren Wodansvrouwen, en het ‘Witte’ stond voor Wodan. Wodan was het evenbeeld van de Noord-Germaanse oppergod Odin. Deze had maar één groep vrouwen om zich heen, naast zijn hoofdvrouw, en dat waren de Walkuren. De Walkuren werden geleid door Freyja. Freyja was de godin van de lente, de schoonheid, de eeuwige jeugd en de vruchtbaarheid. Ervan uitgaand dat de Witte Wieven dezelfde positie hadden in de Saksische godenwereld als de Walkuren in dat ten noorden daarvan, is het logisch dat ze in deze streken benaderd konden worden bij uitblijvende zwangerschap of moeilijkheden bij bevallingen. Per slot van rekening konden ze hulp bieden, via hun leidster, de vruchtbaarheidsgodin Freija.

Na de kerstening van het Nedersaksische gebied, moest de positie van de Witte Wieven wel anders worden. De oude goden en godinnen waren verdwenen, ingewisseld door de God en de heiligen van het Christendom. Vandaar dat de voorstellingen uit de Germaanse godenwereld in de beschrijvingen van de Witte Wieven verdwenen zijn. Het Walhalla was verdwenen en de vrouwen konden niet geïntegreerd worden in het Christelijke geloof, zodat ze geen nieuwe Christelijke taken konden krijgen. Toen niemand meer begreep dat ‘Witte’ op Wodan sloeg, veranderde het uiterlijk van de vrouwen, op basis van de nieuwe interpretatie van dat woord. Ook de identificatie van de Witte Wieven met wolken of flarden nevel deed het voor de mens van na de Middeleeuwen logisch klinken dat het ‘Witte’ op de kleur van de kleding sloeg. Omdat de vruchtbaarheidsgodinnen er niet meer waren, bleven de Witte Wieven als enigen van hun godenwereld over. Ook hun verbondenheid met de dood en de doden bleef in het volksgeloof levend aanwezig. Men zocht ze in de prehistorische grafheuvels en legde zo een duidelijke band met de voorouders. Zo werden ze stammoeders en oermoeders. Dat er in dit verband dan ook vaak aan oudere vrouwen wordt gedacht, is eigenlijk vanzelfsprekend. Dat waren de wijze vrouwen die in de oude samenleving het meeste wisten van bevallingen. En zo wisten ze enige duizenden jaren in de beleving van de Nedersaksers in leven te blijven.

Regen in Walpurgisnacht heeft steeds de kelders volgebracht.

IJsheiligen (11), 12, 13 en 14 mei
De meimaand kent nog een paar koude dagen en vaak vallen die op de heiligendagen van Pancratius, Servatius en Bonifatius (niet die van Dokkum) Soms Mamertus (11 mei) aangemerkt als Ijsheilige in plaats van Bonifatius. In nog vroeger tijden werd de voorjaarsgodin Hertha (of Nerthus) aangeroepen om de laatste winterdemonen (nachtvorst) te verwijderen

24 juni St. Jan (Johannes de Doper)
Al heel lang werd rond deze datum de zomerzonnewende gevierd door voorchristelijke culturen. De natuur is op haar hoogtepunt Het feest wordt wel het kerstfeest van de zomer genoemd (N.B. exact een half jaar later is het Kerst) Ter begroeting van de zomer werden sintjansvuren ontstoken. Het is dus van oudsher het Midzomernachtsfeest of de zonnewende (ondanks het feit dat we dit volgens de kalender op 21 juni vieren) Bij de Germanen was het een dag van feestvreugde, waarbij de verering van de zon als bron van licht, warmte en vruchtbaarheid tot uiting kwam.

Hoe hoger de vuren opvonkten, hoe overvloediger de oogst. Dansen rondom of over het vuur bevrijdde je van rugpijn, koorts en koliek. Het volksgeloof zegt dat de rogge zo hoog zal groeien als de beste springer over het vuur springt. Het is dus een magisch handeling om de vruchtbaarheid op te wekken. As van deze vuren beschermde tegen ziekten, brand en blikseminslag, daarom begroeven mensen deze as onder de drempel van woonhuis en stallen. Sint Jansnacht gold als een wondernacht. Als je verliefd bent en Sintjanskruid (volksnaam Jacht met d’n duvel) boven je bed hangt en het is de volgende ochtend nog fris, dan gaat je liefste wens in vervulling. Olie, getrokken uit de bloemen jaagt de duivel weg. Sintjanskruid is ook goed tegen jicht en rheumatiek. Heel heilzaam is de Sintjansdauw (je moet je er naakt in wentelen) De Sintjanstak, een krans van korenbloemen, notenblad en Sintjanskruid beschermt tegen onweer.

In de Sintjansvuren werden bosjes Sintjanskruiden geworpen met de spreuk:

Al mijn onheil
Ga verdwijnen
Ga verdwijnen
met deez’ kruiden
in de gloed.

Andere spreuken:
Voor Sint Jan, bidt om regen, erna komt hij ongelegen

Hondsdagen (19 juli – 18 augustus)
In dit deel van het jaar komt de Hondsster (Sirius) tegelijk op met de zon. Meestal is dit de warmste tijd van het jaar.

20 juli St. Margriet (Sint Margareta)
Als het regent met Sint Margriet, dan regent het 6 weken lang

25 juli St. Joapik (Sint Jacobus, Saint James, San Tiago)
Sint Jakobus is de schutspatroon van de oogst en de molenaars. In deze streek is het vaak het begin van de roggeoogst. De laatste jaren staat de pelgrimstocht naar zijn graf in Santiago de Compostela weer in hernieuwde belangstelling.

Als met Sint Jan de linde bloeit, is met Sint Joapik (25 juli) de rogge rijp.

10 augustus Sint. Laurentius
Wie knolletjes wil eten, moet Sint Laurentius niet vergeten

17 september Sint Lambertus
Met Sint Lambertus beginnen de dagen weer merkbaar korter worden en dat onderstreepte men door de lampen te versieren en fakkeloptochten te houden. Er werd stevig gedronken op Lammeliedjes of Lampegietersavond, meestal jenever, maar ook saliemelk.

Als op Lambertus de zon schijnt, krijg je een droog voorjaar.

11 november Sint. Maarten
5/6 december Sint Nicolaas
Behalve de Witte Wieven kon ook het Witte Paard in de mist of de laag over de velden hangende nevelen waargenomen worden. Het Witte Paard kondigde oorlog en ellende aan, zodat zijn verschijning zeer werd gevreesd. Het geloof in het Witte Paard, als verkondiger van oorlog en ellende, valt zondermeer te koppelen aan de paardrijdende Walkuren, de latere Witte Wieven, die over de slagvelden reden, of aan Sleipnir, het achtbenige paard van Wodan, de god die de oorlogshelden opnam in zijn Walhalla.

Ieder jaar doet een bisschop op een wit paard zijn intree in het dorp. Dit witte paard herinnert aan de heilige witte paarden uit de Germaanse wouden. Va dit paard, dat van Sinterklaas dus, wordt verteld dat het over de daken rijdt. Zo is het paard een uitbeelding van Sleipnir, het vliegende paard van Wodan, en tevens een levende herinnering aan het ‘Witte Peerd’ dat de turfgravers vreesden. Sinterklaas zelf is Wodan in vermomming. Wodan werd voorgesteld als een forse vent met een wijde mantel, een lange baard en een muts met vleugeltjes. De baard werd voor Sinterklaas wit voorgesteld, en de mantel en de muts werden tabberd en mijter. Wodan had een lans in zijn hand, waaraan hij een slang spietste, als voorbeeld van het ‘stoute’. Het werd de staf van Sinterklaas. De Sint en Wodan oordeelden over goed en kwaad, en hadden er geen enkele moeite mee om de mensen eens flink te straffen. Is Sinterklaas tegenwoordig een kindervriend, vroeger had hij er geen enkele moeite mee om stoute kinderen flink met de roe af te laten rossen.

Om de vertoornde Wodan gunstig te stemmen, werden bij de stookplaats in de woningen regelmatig offers gebracht. Geslachte dieren en ander voedsel. Het werd later vervangen door koeken en andere lekkernijen in de vorm van dieren: suikerbeesten, varkentjes van marsepein en wat al niet meer. Zo werd het offerbrood de voorloper van de taaitaaipop. De schoorsteen was de verbinding van het aardse met het bovenaardse. Vandaar dat via de schoorsteen zegen of vloek van Wodan werd verwacht, net zoals we nu vertellen over de cadeautjes van Sinterklaas, of het zakje zout dat via de schoorsteen is gekomen. Als oppergod was Wodan ook heer en meester over het al dan niet slagen van de oogst. Het strooigoed van Sinterklaas is het zaaigoed van Wodan. Als het zaad in de schoorsteen valt, een verbeelding van het vrouwelijk geslachtsorgaan, vindt er een bevruchting plaats tussen hemel en aarde. Zout werd oorspronkelijk gegeven aan de oudere kinderen, die de vruchtbare leeftijd hadden bereikt. Er klinkt een oude Germaanse overgangsrite in door. Het maken van een zaaiende beweging, het strooien met pepernoten, werd de gunst van de goden afgesmeekt. Men hoopte op een vruchtbaar jaar. De roe kan gezien worden als een fallussymbool. Roe of roede waren ook oude benamingen voor het mannelijk lid.

Kerstmis, Oudjaar Midwinterfeest
Het Midwinterfeest was een van de belangrijkste feesten van de Germaanse wereld. Om het tijdstip van het Midwinterfeest, de winterzonnewende, te bepalen werd een cirkel van palen of monolithen, grote stenen, opgericht, en wel zo, dat elk jaar, precies de zonnewende aangegeven kon worden. De grote steenblokken en de palen waren zo opgesteld, dat maar op een moment, de zon precies in het verlengde van twee maatstenen c.q. palen verscheen. Dit ging door meten, met de maatstaf, waarbij door geestelijk leiders (druïdes) geblazen werd op hoorns. Dit blazen vond plaats om ritueel de ommekeer voor iedereen vast te leggen; een nieuw begin. Het Midwinterfeest gaat uit van een demonisch tweegevecht tussen de winter en de zomer. Het uitgangspunt van het Midwinterfeest wordt gevormd door vruchtbaarheidsrituelen bij het opnieuw ontwaken van de natuur na de winter, hetgeen gepaard gaat met het uitdrijven van demonen die de natuur in hun winterse verschrikkingen gevangen houden. De winter moet verdreven worden opdat de zomer haar werk kan doen. Er vindt een omdraaiing plaats, die ook onder de feestgangers tijdens het Midwinterfeest te merken was. De bestaande waarden en normen werden aan de kaak gesteld door ze om te draaien. De zotten worden de norm, de regenten worden bespot. Travestie, braspartijen en het omkeren van de hiërarchie bepaalden de feesten. Bij deze zonnewende feesten werd Mede gedronken. Een bedwelmende drank. Deze Mede werd door gisting bereid uit honing. En daarnaast vloeide het bier rijkelijk.

Het tijdstip van het Midwinterfeest was ideaal om uit de band te springen. Op de akkers en velden kon niet gewerkt worden. Een ideale gelegenheid om na gedane arbeid zich uit te leven, om daarmee weer zich voor te bereiden op een nieuwe jaarcyclus van hard werken, van planten tot oogsten, van geboorte tot slacht. En ook van huwelijk tot geboorte. Het midwinterfeest werd gevierd in wat de Germanen kenden als de "Joelmond", (december), met "Joelbrod", brood gebakken in de vorm van zonneraderen, van slangen of van hoorntjes, terwijl "Julklapp" in Zweden nog steeds bestaat als een gebruik met Kerst, Midwinter,'s nachts goede gaven te werpen in de hut van de buren, waarbij luid "Julklapp"!, werd geroepen. "Joel" in het germaans betekent eveneens "wiel" of "rad". Vandaar dat brood gebakken werd in de vorm van een cirkel, van een rad, waarop veel kaarsen aangebracht waren, ter verduidelijking van het zonnerad; symbool voor liet wisselen van de zonnestand. Hier wordt onze adventskrans binnen gesmokkeld. Het Midwinterfeest duurde twaalf dagen, tot zes januari. Driekoningen. Dat de drie koningen het nieuwe licht volgen, is er eveneens van afgeleid.

Het joelfeest, het Midwinterfeest dus, was het feest van een afscheid en van een nieuw begin; waarbij dood en vruchtbaarheid hand in hand gaan; van oude geesten verdrijven en nieuwe verwekken! Vuren werden gebruikt om de oude geesten heen te zenden, weggeblazen moesten ze worden, met waanzinnig veel lawaai, verdreven, afgeschrikt. We hebben er het vuurwerk op oudejaarsavond van overgehouden, evenals de gewoonte om brandjes te stichten, bijvoorbeeld van oude kerstbomen. En, om het akoestische effect te vergroten werd op de midwinterhoorn geblazen boven een waterput. De echo was zo geweldig dat alle geesten de vlucht namen en, iedereen wist dat het feesttijd was. Hooibergen werden opgezocht, groots werd gegeten, fantastisch gedronken! Het was een tijd van uitbundigheid, plezier en jolijt! Deze associatie met het woord jolijt is niet voor niets. De Kerstman heet in het Fins nog steeds "Joulo pukki". In het engels is de kersttijd bekend als "yuletide". Vandaar ons woord joelen. Joelen betekent je luidruchtig gedragen, met veel gebaren en bewegingen. Op luid ruchtige, drukke wijze feestvieren of uiting geven aan vreugde.

De wilde jacht
In de Midwintertijd kende de men de zogenaamde ‘Wilde Jacht’. Wodan, de heer der doden, vloog in zijn donkere mantel op zijn achtbenige ros Sleipnir, en met een grote stoet gestorvenen achter zich aan, door de lucht. Wodan werd begeleid door twee zwarte raven, Hugin en Munin (‘herinnering’ en ‘geheugen’), die veelal op zijn schouders zaten. Ze vlogen elke morgen naar de aarde en vertelden Wodan na terugkeer alles wat er op de wereld onder hem gebeurde, net zoals de Zwarte Pieten nu nog doen. Sommigen vertelden over de jachthonden die de Wilde Jacht vergezelden, maar oorspronkelijk waren dit twee wolven. De raven en de wolven waren ook de beesten van het slagveld. Na afloop van de strijd ruimden ze de gevallenen op. Deze stoet van wezens werd tijdens de Wilde Jacht vooraf gegaan door een grote hoornblazende uil. De uil zou zich steeds laten horen als er weer iemand zou moeten sterven, zo werd er verteld.

Men herkende de Wilde Jacht, Wilde Heir, Hubertusjacht of hoe men dit plaatselijk ook mocht noemen, als de aarde geteisterd werd door een joelende storm, want Wodan was ook de stormgod en in de storm hoorde men een op een hoorn gelijkend geluid. Frappant is dat we hier het goddelijke aangekondigd zien door een hoornsignaal, net zoals Heimdal met zijn hoorn de komst van de hoofdgod Odin/Wodan aan zal geven, en net zoals de sjofar JHWH verkondigde op de berg Sinaï. In een middeleeuwse kroniek wordt vermeld dat Sint Nicolaas de aanvoerder was van de Wilde Heir, de Wilde Jacht. Het is één van de vele signalen waaruit we op kunnen maken dat de Heilige Nicolaas uit het Turkse Myra niet alleen de Goedheiligman van Rooms Katholieke huize is, maar ook veel herinneringen aan de Germaanse godenwereld in zijn verschijning op heeft genomen. Sinterklaas is min of meer een personificatie van Wodan, in een christelijk jasje.

EERBIED EN ANGST VOOR DODEN EN VOORVADEREN
De Germanen voelden een zeer grote verbondenheid met hun voorouders. Liever naar de voorouders, al waren die volgens de christenen ook in de hel, dan alléén, zonder het voorgeslacht, in de christelijke hemel, zo moet de Friese koning Radboud gedacht hebben. Hij werd na veel strijd in 717 aan de Rijn bij Utrecht verslagen door de Frankische leider Karel Martel. Radboud moest niet alleen het Frankische gezag herkennen, hij moest ook toestaan dat christelijke zendelingen het door hem zo verfoeide christelijke geloof in zijn gebied kwamen verspreiden. Bij zijn overgave zou Radboud beloofd hebben het christendom aan te nemen. Bisschop Wulfram zou de doopplechtigheid houden te Medemblik, waar zijn zetel was. Toen hij al met één voet in het doopvont stond, vroeg Radboud waar zijn voorouders zich bevonden. Wulfram antwoordde dat deze, als ongelovigen die het doopsel niet hadden gekregen, voor eeuwig verdoemd waren. Radboud trok zijn voet terug. Hij verklaarde liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalige Walhalla te zijn, dan met een kleine schare christenen in de hemel.

Wat er historisch gezien ook waar geweest mag zijn van voorgaand verhaal, het toont in ieder geval de vasthoudendheid van de Germanen aan hun goden en voorouders. Twee aan elkaar gekoppelde groepen bovennatuurlijke wezen. En niet alleen voor de bovenlaag.
Tijdens het Midwinterfeest was er speciaal aandacht voor de graven en de doden. De graven van de doden waren voor Nedersaksische bevolkingsgroepen vroeger heilige plaatsen. Bij en op die graven werden religieuze samenkomsten gehouden. Er werden bij de graven lichten gebrand en spijsoffers neergezet. In een aantal grafvelden zijn paalgaten aangetroffen, die wezen op een kleine, rechthoekige constructie, dodenhuisjes, omgeven door een ringsloot, maar zonder bijzettingen. Ze zouden gediend kunnen hebben voor het dodenmaal, en willicht voor de riten die regelmatig in het eerste jaar na het overlijden voor het lichaam dienden te worden verzorgd. Er werden bij graven ook primitieve houten beelden en schachten in de aarde aangetroffen, waarin offers konden worden geworpen, wat eveneens verband kan houden met voorouderverering.

Ook thuis werd tijdens het Midwinterfeest aan de doden gedacht. Het vuur in de haard van de eigen woning werd warm gestookt en de deur werd geopend. De doden werden uitgenodigd om aan te zitten aan de familiedis en zich te koesteren aan de huiselijke aard. Zo werden de doden gedankt voor wat ze het jaar door voor de levenden hadden gedaan, tijdens de twaalf dagen dat ze weer onder de mensen leefden. Want dat dit zo was, daar was men stellig van overtuigd, tijdens het Midwinterfeest. De christelijke kerk handhaafde na de bekering van deze streken de dodenherdenking, maar verschoof de datum. Het gebeurde niet meer van 25 december tot 6 januari. Er werd één dag voor uitgetrokken, 2 november, Allerzielen. Ondanks de kerkelijke leer bleef het volk geloven dat de zielen inderdaad aanwezig waren, die dag.

Voorouders in een dubbele rol. Enerzijds als goede, min of meer heilige beschermers, op basis van wat ze tijdens hun leven hadden betekend en na hun dood als door de goden beschermde geesten nog zouden kunnen betekenen, anderzijds als bestraffende demonen, welke gevreesd moesten worden. Tijdens de Midwinterdagen, van 25 december tot 6 januari, kwamen ze samen met de uil, storm- en oorlogsgod Wodan en zijn wolven naar de aarde. Al deze wezens hadden op dat moment voornamelijk een negatieve duiding. Het was een zeer te vrezen groep, deze deelnemers aan de ‘Wilde Jacht’. Tijdens deze Midwinterdagen werd er op de hoorn geblazen, zo hadden we al gezien. Om de ‘boze geesten’ te verjagen, zo wordt er gezegd. De meest voor de hand liggende verklaring is, dat de prehistorische mens door het hoornblazen, het ‘stormmaken’, de ‘Wilde Jacht’, de ‘Wilde Heir’, de wilde legerschare imiteerde. De mens deed het voorkomen alsof er diverse andere demonenlegers op de aarde aanwezig waren, door op meerdere hoorns te blazen, waardoor de boosaardige legermacht van Wodan, de uil, de wolven en de doden afgeschrikt werden, en weer vertrokken. De ‘boze geesten’, waren vooral de eigen voorouders, die terug moesten naar daar waar ze hoorden: de onderwereld, de dodenwereld.