Je komt op verhaal in de Achterhoek.
Het Achterhoeks Bureau voor Toerisme hanteert de slogan:
Je komt op verhaal in de Achterhoek.
Deze slogan heeft een dubbele betekenis:
Ten eerste is er heel veel te vertellen en zijn er boeiende
verhalen in de Achterhoek,
maar ook heeft het de betekenis dat je in de Achterhoek
weer op verhaal kunt komen.
Even uitblazen ...........
Volksgeloof en streekcultuur
Het aardige van streeklegendes en streekcultuur is
dat ze nauwelijks berusten op historische feiten. Sterker
nog, historische feiten hebben vaak een ontkrachtende
werking op deze verhalen. Immers, niets is zo funest voor
de fantasie als de wetenschap dat bijvoorbeeld de Witte
Wieven in feite niet veel meer waren dan nevelslierten
boven heidevelden. Maar gebruik je verbeelding dan kun je
je voorstellen dat angstige reizigers in die mistflarden de
tentakels van boosaardige verschijningen zagen.
Kometen, vallende sterren, opvallende kleuren van de hemel
worden beschouwd als belangrijke voortekenen in vrijwel
alle culturen. In de Achterhoek had men ook de
dwaallichten, die plotseling opvlamden langs de weg.
Dwaallichten worden beschouwd als de zieltjes van
ongedoopte kinderen.
Zo doen er heel veel onwaarschijnlijke en merkwaardige
verhalen de ronde in het Achterhoekse land. De pragmaticus
zal veel van die verhalen kunnen beredeneren en zo een
stukje van de magie weghalen. Helaas hebben ook de
straatlantaarns ervoor gezorgd dat de volksfantasie
nauwelijks nieuw voedsel meer krijgt. Maar toch: er is meer
tussen hemel en aarde, want lang niet alles is volgens de
heersende natuurwetten te verklaren. En zo is het altijd al
geweest…
Algemeen wordt de stichting van de kapel door Ludger in 801
als stichtingsdatum van Zelhem gezien. Opgravingen zoals de
recente bij het tracé van de rondweg laten echter zien dat
er al veel vroeger mensen woonden in deze streek. Mensen
met oeroude gebruiken en levenwijzen, die weliswaar door
het christendom naar de achtergrond werden gedreven, maar
nooit helemaal verdwenen. Uit deze voorchristelijke tijden
is heel weinig overgebleven, omdat deze mensen domweg niet
konden schrijven en ook omdat het christelijke zendelingen
niet zo zachtzinnig omging met de heidense heiligdommen.
Heilige eiken werden omgekapt en op andere plaatsen werden
kapellen op de oorspronkelijke offerplaatsen gebouwd. Het
zou dan ook interessant zijn om te weten waarom Ludger
juist op deze plaats in Zelhem de kapel bouwde.
Met voorchristelijke tijden bedoelen we in deze streek van
het land de periode voor 785 na Chr., toen Karel de Grote
de inwoners van het Saksische gebied (grofweg
Oost-Nederland en Noord Duitsland) gedwongen tot het
christendom bekeerde. De bewoners werden gedwongen om een
gelofte af te leggen, om daarna gedoopt te worden. De
gelofte hield het afzweren van zijn oude goden in, en was
tevens een belijdenis van het geloof in de belangrijkste
personen van het nieuwe geloof, de christelijke
drie-eenheid. De christelijke drieëenheid van Vader, Zoon
en Heilige Geest, wordt erin afgezet tegen een Germaanse
drieëenheid van Donar, Wodan en Saxnot.
Wodan (Odin, volgens de noordelijkste Germaanse stammen)
was de wereldbeheerser, de Germaanse oppergod. Hij werd
beschouwd als de god van de storm, de oorlog en de dood. De
helft van de gevallenen op het slagveld hoorde hem toe. Hij
was tevens de god van de wijsheid en de poëzie. Hangend aan
een boom, doorboord met zijn eigen speer, zou hij de
runetekens hebben geleerd. Zijn naam is blijven hangen in
onze dagnaam ‘woensdag’.
Saxnot, de stamgod van de Saksers, moet identiek zijn aan
Tiwaz. Hij was de god van oorlog, recht, en procedures als
volksvergaderingen en rechtspraak. Sommigen beschouwen
Tiwaz (Saxnot) als de oorspronkelijke oppergod, die later
door Odin/Wodan zou zijn verdrongen. Tiwaz wordt vaak
afgebeeld met één hand. We herinneren Tiwaz in onze dagnaam
‘dinsdag’.
Thor of Donar was de god van de krijgers. Met hem verbonden
waren de donder, het onweer en de vruchtbaarheid.. En zijn
dag is ‘donderdag’.
Met de gedwongen kerstening was het Germaanse religie
natuurlijk niet verdwenen. Gedurende de middeleeuwen bleven
er berichten verschijnen dat priesters er voor dienden te
zorgen dat de bevolking zich niet opnieuw zou overgeven aan
het heidendom. De oorzaak ligt in de begintijd van de
bekering, de 7e tot 9e eeuw. Toen is het christendom door
politieke en praktische bezwaren er niet in geslaagd de
heidense gebruiken te niet te doen. Ten eerste werd de
christelijke zending door de Frankische koningen gebruikt
als politiek drukmiddel om de onderworpen volken er onder
te houden. Als zodanig was de bekering vaak geen zaak van
innerlijke overtuiging, maar van puur lijfsbehoud.
De loop van de zon is voor heel veel jaarfeesten de
regulerende factor, met als hoogtepunten de midzomernacht
en de midwinternacht. Dat is overigens in vrijwel alle
culturen het geval. Het is nauwelijks meer na te gaan of al
onze jaarfeesten oorspronkelijk heidense feesten waren,
danwel of de christelijke kerk ze heeft ingevoerd. De kerk
probeerde zoveel mogelijk bestaande elementen en tradities
over te nemen. Zo konden de volkeren, die meestal niet
konden lezen en schrijven, immers makkelijk wennen aan het
nieuwe geloof. De grens tussen geloof en bijgeloof was dus
veelal smal. Er was enkele eeuwen geleden sprake van een
situatie waarin het Christendom als hoofdgodsdienst
overheerste, en waarin tal van godsdienstige gebruiken en
voorstellingen uit de Germaanse belevingswereld op een
ondergeschikte plaats konden voortleven (soms tot in de 20e
eeuw), waarbij de mensen die er zich mee bezig hielden niet
meer op de hoogte waren van hun oorspronkelijke
achtergronden.
In deze streek was de winter de periode waarin de meeste
feesten werden gevierd. De meeste bewoners waren
landbouwers die in de zomerperiode hun voedsel moesten
verbouwen. Ze hadden domweg geen tijd om veel feest te
vieren. De feesten zijn in te delen in 4 groepen:
1. De voorjaars- en meifeesten
2. De midzomerfeesten
3. De oogstfeesten
4. De Midwinterfeesten
Het is interessant om de verschillende jaarfeesten onder de
loep te nemen in verband met symbolische betekenis en
wortels uit het verleden. Het ritme van de seizoenen is een
belangrijk gegeven in het leven van de plattelander. Bij de
vaststelling van de kalender lopen christelijk en
voor-christelijke jaarfeesten door elkaar.
Walpurgisnacht (30 april op 1 mei)
Van oorsprong spookten de heksen in deze
nacht om het hardst. Sint Walpurgis was de abdis van het
Benedictijner klooster in Heidenheim. Ze is vooral bekend
om haar strijd tegen tovenarij. In deze streek denkt men
bij heksen (naast Smoks Hanne) het eerst aan de Witte
Wieven. In de laatste eeuwen worden ze voorgesteld als
witte gedaanten. Als ‘Witte Wieven’ vertaald
wordt als ‘Wijze Vrouwen’, zoals nogal eens
gebeurt, wordt ervan uitgegaan dat het ‘Witte’
afkomstig is van het Indogermaanse woord ‘wid’,
weten. Met deze verklaring wordt tevens verband gelegd
tussen de Witte Wieven en de Keltische druïden waarin
tevens het ‘wid’ herkenbaar is (druwid). De
verleiding is dan groot om de Witte Wieven te zien als in
het wit geklede priesteressen. Er is ook een andere
verklaring mogelijk, meer toegespitst op de Nedersaksische
omgeving van hun verschijning. Het ‘Witte’ van
Witte Wieven betekende in vroeger tijden
‘Wodan’. De Saksische leider Wittekind of
Widukind heette in zijn eigen taal ‘Wodanskind’
of ‘Zoon van Wodan’. Als we Witte Wieven willen
terugvoeren op hun Germaanse oorsprong, zullen we de naam
moeten zien binnen de Saksisch-Germaanse taalwereld. Witte
Wieven waren Wodansvrouwen, en het ‘Witte’
stond voor Wodan. Wodan was het evenbeeld van de
Noord-Germaanse oppergod Odin. Deze had maar één groep
vrouwen om zich heen, naast zijn hoofdvrouw, en dat waren
de Walkuren. De Walkuren werden geleid door Freyja. Freyja
was de godin van de lente, de schoonheid, de eeuwige jeugd
en de vruchtbaarheid. Ervan uitgaand dat de Witte Wieven
dezelfde positie hadden in de Saksische godenwereld als de
Walkuren in dat ten noorden daarvan, is het logisch dat ze
in deze streken benaderd konden worden bij uitblijvende
zwangerschap of moeilijkheden bij bevallingen. Per slot van
rekening konden ze hulp bieden, via hun leidster, de
vruchtbaarheidsgodin Freija.
Na de kerstening van het Nedersaksische gebied, moest de
positie van de Witte Wieven wel anders worden. De oude
goden en godinnen waren verdwenen, ingewisseld door de God
en de heiligen van het Christendom. Vandaar dat de
voorstellingen uit de Germaanse godenwereld in de
beschrijvingen van de Witte Wieven verdwenen zijn. Het
Walhalla was verdwenen en de vrouwen konden niet
geïntegreerd worden in het Christelijke geloof, zodat ze
geen nieuwe Christelijke taken konden krijgen. Toen niemand
meer begreep dat ‘Witte’ op Wodan sloeg,
veranderde het uiterlijk van de vrouwen, op basis van de
nieuwe interpretatie van dat woord. Ook de identificatie
van de Witte Wieven met wolken of flarden nevel deed het
voor de mens van na de Middeleeuwen logisch klinken dat het
‘Witte’ op de kleur van de kleding sloeg. Omdat
de vruchtbaarheidsgodinnen er niet meer waren, bleven de
Witte Wieven als enigen van hun godenwereld over. Ook hun
verbondenheid met de dood en de doden bleef in het
volksgeloof levend aanwezig. Men zocht ze in de
prehistorische grafheuvels en legde zo een duidelijke band
met de voorouders. Zo werden ze stammoeders en oermoeders.
Dat er in dit verband dan ook vaak aan oudere vrouwen wordt
gedacht, is eigenlijk vanzelfsprekend. Dat waren de wijze
vrouwen die in de oude samenleving het meeste wisten van
bevallingen. En zo wisten ze enige duizenden jaren in de
beleving van de Nedersaksers in leven te blijven.
Regen in Walpurgisnacht heeft steeds de kelders
volgebracht.
IJsheiligen (11), 12, 13 en 14 mei
De meimaand kent nog een paar koude dagen en
vaak vallen die op de heiligendagen van Pancratius,
Servatius en Bonifatius (niet die van Dokkum) Soms Mamertus
(11 mei) aangemerkt als Ijsheilige in plaats van
Bonifatius. In nog vroeger tijden werd de voorjaarsgodin
Hertha (of Nerthus) aangeroepen om de laatste winterdemonen
(nachtvorst) te verwijderen
24 juni St. Jan (Johannes de Doper)
Al heel lang werd rond deze datum de
zomerzonnewende gevierd door voorchristelijke culturen. De
natuur is op haar hoogtepunt Het feest wordt wel het
kerstfeest van de zomer genoemd (N.B. exact een half jaar
later is het Kerst) Ter begroeting van de zomer werden
sintjansvuren ontstoken. Het is dus van oudsher het
Midzomernachtsfeest of de zonnewende (ondanks het feit dat
we dit volgens de kalender op 21 juni vieren) Bij de
Germanen was het een dag van feestvreugde, waarbij de
verering van de zon als bron van licht, warmte en
vruchtbaarheid tot uiting kwam.
Hoe hoger de vuren opvonkten, hoe overvloediger de oogst.
Dansen rondom of over het vuur bevrijdde je van rugpijn,
koorts en koliek. Het volksgeloof zegt dat de rogge zo hoog
zal groeien als de beste springer over het vuur springt.
Het is dus een magisch handeling om de vruchtbaarheid op te
wekken. As van deze vuren beschermde tegen ziekten, brand
en blikseminslag, daarom begroeven mensen deze as onder de
drempel van woonhuis en stallen. Sint Jansnacht gold als
een wondernacht. Als je verliefd bent en Sintjanskruid
(volksnaam Jacht met d’n duvel) boven je bed hangt en
het is de volgende ochtend nog fris, dan gaat je liefste
wens in vervulling. Olie, getrokken uit de bloemen jaagt de
duivel weg. Sintjanskruid is ook goed tegen jicht en
rheumatiek. Heel heilzaam is de Sintjansdauw (je moet je er
naakt in wentelen) De Sintjanstak, een krans van
korenbloemen, notenblad en Sintjanskruid beschermt tegen
onweer.
In de Sintjansvuren werden bosjes Sintjanskruiden geworpen
met de spreuk:
Al mijn onheil
Ga verdwijnen
Ga verdwijnen
met deez’ kruiden
in de gloed.
Andere spreuken:
Voor Sint Jan, bidt om regen, erna komt hij ongelegen
Hondsdagen (19 juli – 18 augustus)
In dit deel van het jaar komt de Hondsster
(Sirius) tegelijk op met de zon. Meestal is dit de warmste
tijd van het jaar.
20 juli St. Margriet (Sint Margareta)
Als het regent met Sint Margriet, dan regent
het 6 weken lang
25 juli St. Joapik (Sint Jacobus, Saint James, San
Tiago)
Sint Jakobus is de schutspatroon van de
oogst en de molenaars. In deze streek is het vaak het begin
van de roggeoogst. De laatste jaren staat de pelgrimstocht
naar zijn graf in Santiago de Compostela weer in hernieuwde
belangstelling.
Als met Sint Jan de linde bloeit, is met Sint Joapik (25
juli) de rogge rijp.
10 augustus Sint. Laurentius
Wie knolletjes wil eten, moet Sint
Laurentius niet vergeten
17 september Sint Lambertus
Met Sint Lambertus beginnen de dagen weer
merkbaar korter worden en dat onderstreepte men door de
lampen te versieren en fakkeloptochten te houden. Er werd
stevig gedronken op Lammeliedjes of Lampegietersavond,
meestal jenever, maar ook saliemelk.
Als op Lambertus de zon schijnt, krijg je een droog
voorjaar.
11 november Sint. Maarten
5/6 december Sint Nicolaas
Behalve de Witte Wieven kon ook het Witte Paard in de mist
of de laag over de velden hangende nevelen waargenomen
worden. Het Witte Paard kondigde oorlog en ellende aan,
zodat zijn verschijning zeer werd gevreesd. Het geloof in
het Witte Paard, als verkondiger van oorlog en ellende,
valt zondermeer te koppelen aan de paardrijdende Walkuren,
de latere Witte Wieven, die over de slagvelden reden, of
aan Sleipnir, het achtbenige paard van Wodan, de god die de
oorlogshelden opnam in zijn Walhalla.
Ieder jaar doet een bisschop op een wit paard zijn intree
in het dorp. Dit witte paard herinnert aan de heilige witte
paarden uit de Germaanse wouden. Va dit paard, dat van
Sinterklaas dus, wordt verteld dat het over de daken rijdt.
Zo is het paard een uitbeelding van Sleipnir, het vliegende
paard van Wodan, en tevens een levende herinnering aan het
‘Witte Peerd’ dat de turfgravers vreesden.
Sinterklaas zelf is Wodan in vermomming. Wodan werd
voorgesteld als een forse vent met een wijde mantel, een
lange baard en een muts met vleugeltjes. De baard werd voor
Sinterklaas wit voorgesteld, en de mantel en de muts werden
tabberd en mijter. Wodan had een lans in zijn hand, waaraan
hij een slang spietste, als voorbeeld van het
‘stoute’. Het werd de staf van Sinterklaas. De
Sint en Wodan oordeelden over goed en kwaad, en hadden er
geen enkele moeite mee om de mensen eens flink te straffen.
Is Sinterklaas tegenwoordig een kindervriend, vroeger had
hij er geen enkele moeite mee om stoute kinderen flink met
de roe af te laten rossen.
Om de vertoornde Wodan gunstig te stemmen, werden bij de
stookplaats in de woningen regelmatig offers gebracht.
Geslachte dieren en ander voedsel. Het werd later vervangen
door koeken en andere lekkernijen in de vorm van dieren:
suikerbeesten, varkentjes van marsepein en wat al niet
meer. Zo werd het offerbrood de voorloper van de
taaitaaipop. De schoorsteen was de verbinding van het
aardse met het bovenaardse. Vandaar dat via de schoorsteen
zegen of vloek van Wodan werd verwacht, net zoals we nu
vertellen over de cadeautjes van Sinterklaas, of het zakje
zout dat via de schoorsteen is gekomen. Als oppergod was
Wodan ook heer en meester over het al dan niet slagen van
de oogst. Het strooigoed van Sinterklaas is het zaaigoed
van Wodan. Als het zaad in de schoorsteen valt, een
verbeelding van het vrouwelijk geslachtsorgaan, vindt er
een bevruchting plaats tussen hemel en aarde. Zout werd
oorspronkelijk gegeven aan de oudere kinderen, die de
vruchtbare leeftijd hadden bereikt. Er klinkt een oude
Germaanse overgangsrite in door. Het maken van een zaaiende
beweging, het strooien met pepernoten, werd de gunst van de
goden afgesmeekt. Men hoopte op een vruchtbaar jaar. De roe
kan gezien worden als een fallussymbool. Roe of roede waren
ook oude benamingen voor het mannelijk lid.
Kerstmis, Oudjaar Midwinterfeest
Het Midwinterfeest was een van de
belangrijkste feesten van de Germaanse wereld. Om het
tijdstip van het Midwinterfeest, de winterzonnewende, te
bepalen werd een cirkel van palen of monolithen, grote
stenen, opgericht, en wel zo, dat elk jaar, precies de
zonnewende aangegeven kon worden. De grote steenblokken en
de palen waren zo opgesteld, dat maar op een moment, de zon
precies in het verlengde van twee maatstenen c.q. palen
verscheen. Dit ging door meten, met de maatstaf, waarbij
door geestelijk leiders (druïdes) geblazen werd op hoorns.
Dit blazen vond plaats om ritueel de ommekeer voor iedereen
vast te leggen; een nieuw begin. Het Midwinterfeest gaat
uit van een demonisch tweegevecht tussen de winter en de
zomer. Het uitgangspunt van het Midwinterfeest wordt
gevormd door vruchtbaarheidsrituelen bij het opnieuw
ontwaken van de natuur na de winter, hetgeen gepaard gaat
met het uitdrijven van demonen die de natuur in hun
winterse verschrikkingen gevangen houden. De winter moet
verdreven worden opdat de zomer haar werk kan doen. Er
vindt een omdraaiing plaats, die ook onder de feestgangers
tijdens het Midwinterfeest te merken was. De bestaande
waarden en normen werden aan de kaak gesteld door ze om te
draaien. De zotten worden de norm, de regenten worden
bespot. Travestie, braspartijen en het omkeren van de
hiërarchie bepaalden de feesten. Bij deze zonnewende
feesten werd Mede gedronken. Een bedwelmende drank. Deze
Mede werd door gisting bereid uit honing. En daarnaast
vloeide het bier rijkelijk.
Het tijdstip van het Midwinterfeest was ideaal om uit de
band te springen. Op de akkers en velden kon niet gewerkt
worden. Een ideale gelegenheid om na gedane arbeid zich uit
te leven, om daarmee weer zich voor te bereiden op een
nieuwe jaarcyclus van hard werken, van planten tot oogsten,
van geboorte tot slacht. En ook van huwelijk tot geboorte.
Het midwinterfeest werd gevierd in wat de Germanen kenden
als de "Joelmond", (december), met "Joelbrod", brood
gebakken in de vorm van zonneraderen, van slangen of van
hoorntjes, terwijl "Julklapp" in Zweden nog steeds bestaat
als een gebruik met Kerst, Midwinter,'s nachts goede gaven
te werpen in de hut van de buren, waarbij luid "Julklapp"!,
werd geroepen. "Joel" in het germaans betekent eveneens
"wiel" of "rad". Vandaar dat brood gebakken werd in de vorm
van een cirkel, van een rad, waarop veel kaarsen
aangebracht waren, ter verduidelijking van het zonnerad;
symbool voor liet wisselen van de zonnestand. Hier wordt
onze adventskrans binnen gesmokkeld. Het Midwinterfeest
duurde twaalf dagen, tot zes januari. Driekoningen. Dat de
drie koningen het nieuwe licht volgen, is er eveneens van
afgeleid.
Het joelfeest, het Midwinterfeest dus, was het feest van
een afscheid en van een nieuw begin; waarbij dood en
vruchtbaarheid hand in hand gaan; van oude geesten
verdrijven en nieuwe verwekken! Vuren werden gebruikt om de
oude geesten heen te zenden, weggeblazen moesten ze worden,
met waanzinnig veel lawaai, verdreven, afgeschrikt. We
hebben er het vuurwerk op oudejaarsavond van overgehouden,
evenals de gewoonte om brandjes te stichten, bijvoorbeeld
van oude kerstbomen. En, om het akoestische effect te
vergroten werd op de midwinterhoorn geblazen boven een
waterput. De echo was zo geweldig dat alle geesten de
vlucht namen en, iedereen wist dat het feesttijd was.
Hooibergen werden opgezocht, groots werd gegeten,
fantastisch gedronken! Het was een tijd van uitbundigheid,
plezier en jolijt! Deze associatie met het woord jolijt is
niet voor niets. De Kerstman heet in het Fins nog steeds
"Joulo pukki". In het engels is de kersttijd bekend als
"yuletide". Vandaar ons woord joelen. Joelen betekent je
luidruchtig gedragen, met veel gebaren en bewegingen. Op
luid ruchtige, drukke wijze feestvieren of uiting geven aan
vreugde.
De wilde jacht
In de Midwintertijd kende de men de
zogenaamde ‘Wilde Jacht’. Wodan, de heer der
doden, vloog in zijn donkere mantel op zijn achtbenige ros
Sleipnir, en met een grote stoet gestorvenen achter zich
aan, door de lucht. Wodan werd begeleid door twee zwarte
raven, Hugin en Munin (‘herinnering’ en
‘geheugen’), die veelal op zijn schouders
zaten. Ze vlogen elke morgen naar de aarde en vertelden
Wodan na terugkeer alles wat er op de wereld onder hem
gebeurde, net zoals de Zwarte Pieten nu nog doen. Sommigen
vertelden over de jachthonden die de Wilde Jacht
vergezelden, maar oorspronkelijk waren dit twee wolven. De
raven en de wolven waren ook de beesten van het slagveld.
Na afloop van de strijd ruimden ze de gevallenen op. Deze
stoet van wezens werd tijdens de Wilde Jacht vooraf gegaan
door een grote hoornblazende uil. De uil zou zich steeds
laten horen als er weer iemand zou moeten sterven, zo werd
er verteld.
Men herkende de Wilde Jacht, Wilde Heir, Hubertusjacht of
hoe men dit plaatselijk ook mocht noemen, als de aarde
geteisterd werd door een joelende storm, want Wodan was ook
de stormgod en in de storm hoorde men een op een hoorn
gelijkend geluid. Frappant is dat we hier het goddelijke
aangekondigd zien door een hoornsignaal, net zoals Heimdal
met zijn hoorn de komst van de hoofdgod Odin/Wodan aan zal
geven, en net zoals de sjofar JHWH verkondigde op de berg
Sinaï. In een middeleeuwse kroniek wordt vermeld dat Sint
Nicolaas de aanvoerder was van de Wilde Heir, de Wilde
Jacht. Het is één van de vele signalen waaruit we op kunnen
maken dat de Heilige Nicolaas uit het Turkse Myra niet
alleen de Goedheiligman van Rooms Katholieke huize is, maar
ook veel herinneringen aan de Germaanse godenwereld in zijn
verschijning op heeft genomen. Sinterklaas is min of meer
een personificatie van Wodan, in een christelijk jasje.
EERBIED EN ANGST VOOR DODEN EN VOORVADEREN
De Germanen voelden een zeer grote
verbondenheid met hun voorouders. Liever naar de
voorouders, al waren die volgens de christenen ook in de
hel, dan alléén, zonder het voorgeslacht, in de
christelijke hemel, zo moet de Friese koning Radboud
gedacht hebben. Hij werd na veel strijd in 717 aan de Rijn
bij Utrecht verslagen door de Frankische leider Karel
Martel. Radboud moest niet alleen het Frankische gezag
herkennen, hij moest ook toestaan dat christelijke
zendelingen het door hem zo verfoeide christelijke geloof
in zijn gebied kwamen verspreiden. Bij zijn overgave zou
Radboud beloofd hebben het christendom aan te nemen.
Bisschop Wulfram zou de doopplechtigheid houden te
Medemblik, waar zijn zetel was. Toen hij al met één voet in
het doopvont stond, vroeg Radboud waar zijn voorouders zich
bevonden. Wulfram antwoordde dat deze, als ongelovigen die
het doopsel niet hadden gekregen, voor eeuwig verdoemd
waren. Radboud trok zijn voet terug. Hij verklaarde liever
met zijn voorgeslacht in Wodans zalige Walhalla te zijn,
dan met een kleine schare christenen in de hemel.
Wat er historisch gezien ook waar geweest mag zijn van
voorgaand verhaal, het toont in ieder geval de
vasthoudendheid van de Germanen aan hun goden en
voorouders. Twee aan elkaar gekoppelde groepen
bovennatuurlijke wezen. En niet alleen voor de bovenlaag.
Tijdens het Midwinterfeest was er speciaal aandacht voor de
graven en de doden. De graven van de doden waren voor
Nedersaksische bevolkingsgroepen vroeger heilige plaatsen.
Bij en op die graven werden religieuze samenkomsten
gehouden. Er werden bij de graven lichten gebrand en
spijsoffers neergezet. In een aantal grafvelden zijn
paalgaten aangetroffen, die wezen op een kleine,
rechthoekige constructie, dodenhuisjes, omgeven door een
ringsloot, maar zonder bijzettingen. Ze zouden gediend
kunnen hebben voor het dodenmaal, en willicht voor de riten
die regelmatig in het eerste jaar na het overlijden voor
het lichaam dienden te worden verzorgd. Er werden bij
graven ook primitieve houten beelden en schachten in de
aarde aangetroffen, waarin offers konden worden geworpen,
wat eveneens verband kan houden met voorouderverering.
Ook thuis werd tijdens het Midwinterfeest aan de doden
gedacht. Het vuur in de haard van de eigen woning werd warm
gestookt en de deur werd geopend. De doden werden
uitgenodigd om aan te zitten aan de familiedis en zich te
koesteren aan de huiselijke aard. Zo werden de doden
gedankt voor wat ze het jaar door voor de levenden hadden
gedaan, tijdens de twaalf dagen dat ze weer onder de mensen
leefden. Want dat dit zo was, daar was men stellig van
overtuigd, tijdens het Midwinterfeest. De christelijke kerk
handhaafde na de bekering van deze streken de
dodenherdenking, maar verschoof de datum. Het gebeurde niet
meer van 25 december tot 6 januari. Er werd één dag voor
uitgetrokken, 2 november, Allerzielen. Ondanks de
kerkelijke leer bleef het volk geloven dat de zielen
inderdaad aanwezig waren, die dag.
Voorouders in een dubbele rol. Enerzijds als goede, min of
meer heilige beschermers, op basis van wat ze tijdens hun
leven hadden betekend en na hun dood als door de goden
beschermde geesten nog zouden kunnen betekenen, anderzijds
als bestraffende demonen, welke gevreesd moesten worden.
Tijdens de Midwinterdagen, van 25 december tot 6 januari,
kwamen ze samen met de uil, storm- en oorlogsgod Wodan en
zijn wolven naar de aarde. Al deze wezens hadden op dat
moment voornamelijk een negatieve duiding. Het was een zeer
te vrezen groep, deze deelnemers aan de ‘Wilde
Jacht’. Tijdens deze Midwinterdagen werd er op de
hoorn geblazen, zo hadden we al gezien. Om de ‘boze
geesten’ te verjagen, zo wordt er gezegd. De meest
voor de hand liggende verklaring is, dat de prehistorische
mens door het hoornblazen, het ‘stormmaken’, de
‘Wilde Jacht’, de ‘Wilde Heir’, de
wilde legerschare imiteerde. De mens deed het voorkomen
alsof er diverse andere demonenlegers op de aarde aanwezig
waren, door op meerdere hoorns te blazen, waardoor de
boosaardige legermacht van Wodan, de uil, de wolven en de
doden afgeschrikt werden, en weer vertrokken. De
‘boze geesten’, waren vooral de eigen
voorouders, die terug moesten naar daar waar ze hoorden: de
onderwereld, de dodenwereld.