NAAR HET NAD-KAMP IN HILVARENBEEK
Toen ik in 1944 in het voorjaar mijn eindexamen achter de rug had, werd het al gauw duidelijk voor me, dat ik niet lang zou kunnen genieten van schoolvrije dagen in mijn ouderlijke woning in de Velswijk bij Zelhem (Gld.).
Enkele dagen voor mijn examen had ik al een oproep gekregen per post, dat ik naar een militaire keuring in Winterswijk moest. Die oproep betrof dienst in de NAD, d.w.z. Nederlandse Arbeids Dienst.
Ik wist dat ik moest kiezen tussen de NAD of onderduiken. Deed ik het laatste, dan bestond er kans, dat mijn pleegvader, die hoofd was der lagere school in de Velswijk, gepakt zou worden als gijzelaar. We hadden bewijzen in onze gemeente, dat men dergerlijke personen fusilleerde of naar een concentratie-kamp stuurde, als bepaalde orders van de Duitse overheid niet uitgevoerd werden.
In geen geval wilde ik de oorzaak zijn van mijn Vaders dood, dus ging ik naar de keuring en kreeg daarna later een oproep, om me op een bepaalde datum aan te melden op Kamp 433 in Hilvarenbeek( Brab.). in de buurt van Tilburg..
Nu wist ik reeds van tevoren, dat ik desnoods door de Bezettingsmacht, in de toekomst, naar het oorlogsfront gestuurd kon worden.
Ik herinner met het afscheid op het spoorstation in Doetinchem als de dag van gisteren. Vader was lijkbleek op zijn gezicht, toen de trein binnenreed.
Het was net of ik al op weg was naar het oorlogs- front, ondanks, dat ik nog zo jong was. Maar lang piekerde ik niet, de reis naar het onbekende lokte op de een of andere manier.
De reis naar Tilburg ging zonder moeilijkheden, dit was immers de stad, die het dichtst bij Hilvarenbeek lag. De bus naar Hilvarenbeek ging niet of was geheel opgeheven, dus moest ik die hele lange weg ,ca. 10 km,naar het kamp, te voet afleggen.Spoedig zou ik "arbeidsman" genoemd worden. Hoe zou ik eruitzien in mijn groene uniform, die gedachte ging door mijn hoofd, toen ik plotseling bij een groot bos kwam.
Aan de kant van de weg zat een jongeman in een droge sloot.
Ik vroeg die jongeman naar de weg,naar het NAD-kamp dus. "Ja, dat is daar waar het bos ophoudt. Maar waar kom je vandaan? Als je je aanmeldt daar,verlies je je vrijheid.Ik kan je helpen, als je mijn hulp aanneemt" fluisterde hij tenslotte. "Ik kan zorgen dat je verwijnt, dat zou niet de eerste keer zijn,dat iemand verdwijnt in deze vreselijke oorlog! Hier heb je een adres, daar je naartoe kunt, als je in nood zit", zei hij en gaf me een briefje met een adres erop. Ik piekerde een ogenblik. Was hij een spion of een agent van de duitse Gestapo?
Wonderlijk, dat hij zo dichtbij het kamp zat. Tenslotte bedankte ik hem en ik heb zijn adres nooit nodig gehad. Daarna zocht ik de ingang van het kamp 433 NAD op en meldde me bij de Wachtcommendant.
Ik was nog niet lang binnen de poorten van het kamp, voordat de haat in mij kookte, dat deze beulen ons landje hadden verraden en dat de Duitsers het in bezit hadden genomen en dat ze nu met ons deden wat ze wilden.
Mijn burgerkleding ging achter slot en grendel en ik kreeg een donkergroen uniform, dat ik aan moest trekken. Een uniform dat heel vermoedelijk tot het nederlandse leger had behoord en door onze soldaten was gedragen, maar toen waren ze grijs..
Toen begon het leven in de NAD: exercitie. schreeuwen, vloeken en hard werken, als slaven. 's Morgens werden we, toen het nog donker was door onder-officieren uit onze bedden geschopt met hun laarzen, die met ijzer beslagen waren, als we niet direct wakker werden.
Het eten bestond meestal uit een stukje brood, watersoep met enekele bonen erin. En zo zou ik kunnen doorgaan, maar dat zou een veel en veel te lang verhaal worden.
Wij moesten dezelfde liederen zingen, die de duitse Wehrmacht zong in het duits. Omdat ik zo goed was in de exercitie, werd ik u i t g e k o z e n om als wachtman bij de poort te staan, na enkele maanden. Dit betekende dat ik veel meer en beter eten kreeg.
Niet zelden kwam de gedachte in mij op, om op de vlucht te gaan, ik diende immers niet mijn Vaderland, maar onze vijanden. Ik stond immers op wacht met mijn zilver-blinkende spade aan mijn schouder en steeds kwam een vlucht-gedachte in mij op. Mijn krachten werden iedere dag zwakker en ik ging razend vlug neer in gewicht.
's Nachts gingen we stiekem naar een bewaarplaats voor groenten, aardappelen, uien en wortelen, om deze te stelen en rauw te eten. Gelukkig werd niemand van ons gesnapt. Vele van mijn kameraden leden aan dysenterie en zelf droomde ik 's nachts van de lekkerste gerechten ter wereld en als ik dan wakker werd en wilde eten, kwamen de tranen van wanhoop in mijn ogen.
Zo ging de ene maand na de andere. Rondom het kamp met 2 m. hoog prikkeldraad wemelde het van jonge duitse soldaten, die dag en nacht oefenden met hun automatische geweren. En wij hoorden geruchten, dat men van plan was om ons naar Duitsland en daarna naar het front te sturen. Maar ik was vast besloten om dat niet af te wachten, want ik wist dat dat het einde zou zijn van mijn leven
Ik had een fijne en trouwe vriend gevonden in het kamp en we hadden beiden besloten om te vluchten, doch niet tegelijk.Op een maandagmorgen, als allen in de eetzaal waren,zou mijn vlucht geschieden. Het ergste was om door Tilburg te komen, want nu was het streng verboden om ons daar op te houden. De nacht voor mijn vlucht heb ik zeker niet veel geslapen en ik antwoordde dan ook heel weinig op vragen en gepraat van mijn kameraden.