Van Widapa tot Lemkesbeumken
 

Veldnamen in de gemeente Zelhem


Veldnamen in Zelhem

Het moet omstreeks het jaar 800 zijn geweest dat boer Helmbald in Zelhem een stukje grond schonk aan de zendeling Liudger. Ongetwijfeld zal Liudger, nauwgezet als hij was, de overeenkomst hebben vastgelegd in een officiële acte, maar deze is niet bewaard gebleven. We hadden van de hele schenking dan ook niets geweten als Helmbald geen spijt had gekregen van zijn al te gulle gave. Hij stapt weer naar Liudger en vraagt of hij en zijn zoon alsnog het vruchtgebruik kunnen krijgen over de helft van het stukje grond. Als tegenprestatie zal hij zorgen voor de verlichting van de kerk, dat wil zeggen de kaarsen. Na de dood van zijn zoon zal het hele perceel alsnog vervallen aan de kerk.
Liudger is de beroerdste niet en gaat akkoord met de nieuwe regeling. Ook deze keer wordt de bijgestelde overeenkomst vastgelegd in een acte en wel op 8 mei 801. En het is deze ‘spijtacte’ die al die eeuwen door wel bewaard gebleven en waardoor Zelhem dit jaar zijn 1200-jarig bestaan viert. Uit deze acte blijkt dat het gaat om een nieuwe ontginning nabij de boerderij van Helmbald en zijn zoon. Van wortels ontdaan, zoals er nadrukkelijk bij wordt vermeld. De ontginning wordt in de acte aangeduid met de naam Widapa.
 
Veel leert de acte van 801 ons niet over Zelhem. Enkel dat er een nederzetting was met de naam Salehem en dat er ene Helmbald, zoon van Heribald, boerde met zijn zoon. Aardig is wel dat we in de acte de eerste veldnaam tegenkomen die ooit in Zelhem is opgetekend: Widapa. Over de ligging ervan valt uit de acte niet veel op te maken, al hebben onderzoekers daarover wel bepaalde ideeën ontwikkeld (zie daarover elders in dit nummer van de Kronyck). Het stukje grond met de naam Widapa heeft in ieder geval de aanzet betekent tot de bouw van het eerste kerkje in Zelhem, een eenvoudig schuurtje met lemen wanden en een strodak waar elke zondag het Woord Gods kon worden verkondigd aan de nieuwe gelovigen. Leden van de Oudheidkundige Vereniging ‘Salehem’ hebben in het voorjaar van het jubileumjaar 2001 het kerkje nog weer nagebouwd zoals het er ongeveer zal hebben uitgezien. De oppervlakte klopt in ieder geval exact, want de afdrukken van de allereerste fundamenten zijn ooit bij restauratiewerkzaamheden teruggevonden.

 
1200 jaar later

De naam Widapa is al lang verloren gegaan in de nevel van de historie. Twaalf eeuwen is wat dat betreft een hele lange tijd. Toch kunnen veld- en boerderijnamen soms vele eeuwen trotseren, zoals het veldnamenonderzoek in Zelhem heeft geleerd dat bijna 1200 jaar na dato is uitgevoerd op initiatief van het Staring Instituut, met hulp van plaatselijke veldwerkers. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in een boekje ‘Boerderij- en veldnamen in Zelhem’, dat in 1998 is verschenen als uitgave van het Staring Instituut.
De eerste stappen voor het veldnamenonderzoek werden echter al begin jaren tachtig gezet door de Oudheidkundige Vereniging ‘Salehem’, toen nog onder voorzitterschap van wijlen de heer G.J. van Roekel. Er was op dat moment enige haast mee geboden, want de namen zouden geïnventariseerd moeten worden voordat de ruilverkaveling de oude situatie grondig op zijn kop zou zetten. Mevrouw Jenny Logerman heeft zich in die beginperiode nog intensief ingespannen om het veldnamenonderzoek (letterlijk) van de grond te krijgen. Maar het bleek al gauw dat de klus veel te groot was voor één à twee personen en het onderzoek kwam al snel weer stil te liggen.
De toenmalige burgemeester Van Rappard was echter overtuigd van nut en noodzaak van het veldnamenonderzoek en wendde zich tot het Staring Instituut in Doetinchem, waar Henk Krosenbrink toentertijd de scepter zwaaide. Het Staring Instituut vormde een sterke stimulator van het veldnamenonderzoek in de hele Achterhoek, coördineerde in een aantal gevallen ook het onderzoek en verzorgde meestal de druk en uitgave van de eindpublicaties. Resultaat van het overleg tussen gemeente en Staring Instituut was dat gemeenteambtenaar F. Wolsink een aantal mensen benaderde om een en ander opnieuw op poten te zetten. Oud-hoofdonderwijzer H.H. Hennink van de Loo-school werd gevraagd om de coördinatie op zich te nemen, het echte veldwerk zou worden gedaan door vrijwilligers, allen geboren en getogen in Zelhem. Op 31 oktober 1985 werd de nieuwe werkgroep op een speciale bijeenkomst op het gemeentehuis geïnstalleerd en kon het project van start gaan.
Alleen in de zomer van 1985, nog voordat de werkgroep was geformeerd, ging Hennink persoonlijk op pad om de omgeving van de vuilstortplaats in kaart te brengen. De gemeente had hier haast, omdat ze de naamgeving daarvoor wilde afronden. Hennink leerde in die korte tijd alle kenmerken en problemen van het veldnamenonderzoek in een notendop kennen. Zo kwam hij bij de oude boer Boenink, die daar 55 jaar eerder was ingetrouwd. Nee, van veldnamen wist hij niet zoveel. ‘Want ik komme hier neet van dan’. Na een paar dagen onderzoek had hij nog maar twee namen in het gebied langs de Wisselinkweg kunnen optekenen: Langenberg en Luzebos. Voor de gemeente was het niet zo moeilijk om daartussen een keuze te maken.
 
De boer op

Het veldwerk in Zelhem is uitgevoerd door in totaal, inclusief Hennink, tien veldwerkers. Allemaal vrijwilligers die daar vele vrije uurtjes aan hebben besteed. Uiteindelijk zou het hele project vier volle jaren in beslag nemen. Door problemen met de financiering zou het nog eens bijna tien jaren duren voordat het Staring Instituut daadwerkelijk kon overgaan tot de druk en uitgave, maar in juni 1998 was het dan eindelijk zover.
In de vier jaren dat de veldwerkers ‘de boer opgingen’ werden bij 280 informanten niet minder dan zo’n tweeduizend veldnamen verzameld, ingetekend op 49 kadasterkaarten en vervolgens overgenomen op fiches. Een tijdrovend en secuur werk. Veldnamen verzamelen is draaien met kaarten om die op de juiste manier voor je ogen te krijgen, waarbij je er voor op moet passen om niet de koffiekopjes van tafel te stoten. Want waar ligt nou precies ‘dat gunse stuk grond’ waar de boer naar wees? Probleem is daarbij dat niet iedereen even bedreven is in het lezen van plattegronden. En dan is er nog het probleem van de juiste uitspraak. Het is de bedoeling dat de namen van de informanten letterlijk worden overgenomen, maar zegt iemand nu ‘wei’, ‘weie’ of ‘weide’? ‘Huusstae’ of ‘huusstee’? Dat is een kwestie van goed opletten, want het verschilt vaak ook nog van streek tot streek. En het is niet de bedoeling dat de veldwerker zijn eigen interpretatie meegeeft aan de namen. En dan is er nog de schrijfwijze, wat vooral bij dialectbenamingen niet altijd even eenvoudig is. Het Staring Instituut biedt met de Wald-spelling wat dat betreft in ieder geval een duidelijke uniforme regelgeving, maar dan nog zijn er nog wel eens twijfelgevallen.
 
Van beitel en bult

Net zoals de taal van de Eskimo’s tientallen woorden bevat om de diverse variaties in sneeuw te beschrijven, zo kent een boer tientallen namen om zijn omgeving aan te duiden. In Zelhem tellen we er meer dan zestig. Kamp, enk, bult en horst bijvoorbeeld voor hogere gronden. Gat, goor, delle, venne en zomp voor lagere stukken grond. Weide en maot voor weidegronden. Ook algemene aanduidingen als land, grond en ’t ziende komen voor, alsmede namen als bleke, bos en hof die iets zeggen over een (vroeger) specifieke gebruik. En dan hebben we het nog niet over de rijke schat aan benamingen die verwijzen naar de vorm van een perceel, zoals dreehook, timpe, toete, punte en kromme stukke, maar ook krukke, doodkist, kouseband, naodzak, beitel en biele. Ook een naam als Hallerdieks-beddestee hoort in deze categorie.
In veel gevallen wordt een benaming vooraf gegaan door een voorvoegsel dat iets zegt over de (voormalige) eigenaar (Kleermakersweitjen, Plumerskamp), het verbouwde gewas (’t Roggeland, Reuvekamp, reuve is een oud woord voor stoppelknol), het gebruik (Schaopenweide), de afmeting (de Grote Horst, de Kleine Heide), de ouderdom (de Olde Maot, ’t Nieje Stuk), de ligging (Weide an ‘t Juttepad), de flora en fauna (Peddengat, Berkenvenne), enzovoorts.
Elke naam heeft zijn eigen betekenis en zijn eigen verhaal. Soms heel persoonlijk en individueel, zoals ‘Veur ’t huus’ en ‘Prins zien land’; soms grootschalig en algemeen, zoals ‘de Zelhemse Enk’ en ‘Wittebrink’. Sommige namen intrigeren, zonder dat er verder iets over betekenis en historie verteld kan worden. Andere namen lijken alledaags, terwijl ze toch een oude historie met zich meedragen. Het voert te ver om zelfs maar een poging te wagen om het veldnamenonderzoek in Zelhem en de 2000 namen wat dat betreft in een notendop samen te vatten, maar het is misschien wel aardig om even wat krenten uit de pap te pikken.
 
De enken, de brinken en wijken

Het dorp Zelhem is gesitueerd op een wat hoger gelegen zandrug en het ligt voor de hand dat dit zijn stempel zet op het soort veldnamen die daar worden gebruikt. Bekend is de Zelhemse Enk, oorspronkelijk ontstaan uit kleinere eenheden oud bouwland die op den duur één geheel zijn gaan vormen, zoals drs. Loes Maas uitlegt in de inleiding. Zij spreekt van bruine en zwarte enkeerdgronden, vaak gelegen op dekzandkoppen en dekzandruggen, en met een dikke humushoudende bovengrond als kenmerk. Een dergelijke enk was in zijn geheel omheind om het vee van het bouwland weg te houden. Meestal werd een enk door verscheidene eigenaren gebruikt en vee mocht pas op de enk worden geweid als iedereen zijn oogst van het land had.
Ook de veldnamen op –kamp komen heel frequent voor in de buurt van Zelhem en Halle. Ook de kampen waren vroeger voornamelijk in gebruik als bouwland. Voor het weiden van het vee werd gebruik gemaakt van de meenegronden, de onontgonnen terreinen rond de dorpskernen van Zelhem en Halle. Meest lager gelegen gronden en van mindere kwaliteit, die gemeenschappelijk bezit waren van de markegenoten. De naam Mene voor het uitgestrekte gebied ten noordoosten van Zelhem herinnert daar nog aan. Eventueel grasland rond een boerderij was voornamelijk bedoeld om hooi voor de winter te verkrijgen.
 
Buiten het oude kerngebied rond de dorpen Zelhem en Halle verandert het beeld enigszins. We komen dan bij de latere ontginningen. Bij de –brinken (zoals Wassinkbrink en Wittebrink) gaat het om de oudste ontginningen, de –hoeken (Veldhoek, Winkelshoek, Heidenhoek) vormen weer latere uitbreidingen en de –wijken (Velswijk, Oosterwijk) zijn van nog latere datum. Het Wolfersveen en de Haller Heide zijn pas in de loop van de negentiende eeuw geleidelijk in cultuur gebracht.

In deze jongere ontginningen vinden we veel namen op –weide en –maot. Namen als –kolk, -gat, -stroet, -laege en –broek wijzen op het wat lagergelegen en drassiger karakter. Overigens vinden we in de lager gelegen gebieden ook geregeld namen op –kamp, –horst, -bult, en in mindere mate op –haar, -heuvel, -barg en –ham, als aanduidingen voor markante verhogingen in het lage landschap. (Een ham is een hoger gelegen hoek land, landtong).
 
‘Alles rondom is veranderd’

De veelvuldig voorkomende benamingen op –heide herinneren nog heel duidelijk aan de aard van het gebied dat nu bekend staat als Halle-Heide, een uitgestrekt heidegebied waar pas rond 1850 de eerste hutjes verschenen. Aan de Stuifveenweg, in het uiterste puntje van Halle op de grens met Harreveld, stond tot voor enkele jaren nog een oud vakwerkhuisje, ‘Den Dinsdag’, in 1842 gebouwd door Jan Sevrien Vrieze, een gepensioneerd militair. Het was het eerste huisje op het heidegebied tussen Halle, Harreveld en Heelweg. De Oudheidkundige Vereniging heeft nog geprobeerd om het huisje voor het nageslacht te bewaren, maar dat is door gebrek aan belangstelling van gemeentewege uiteindelijk niet gelukt.
Laatste bewoner van het huisje was Jan Sprenkelder. Veldwerker Arie Arendsen bracht hem in februari 1998 een bezoek en omdat het zo’n bijzondere locatie was maakte hij er een uitgebreid verslag van, waaruit we hier enkele delen citeren. ‘Vandaag zijn we op bezoek gegaan bij J. Sprenkelder, aan de Stuifveenweg 2 onder Halle. Moeilijk te vinden, want om er te komen moet je eerst de gemeente Zelhem verlaten, over de Heideweg en dan weer iets terug via een zogenaamde eigen weg. Dan kom je bij een boerderijtje met rieten dak, lage zijmuren, kleine ruitjes in het grote raam aan de voorkant. … Na aan de voordeur geklopt te hebben wachten we even en doen dan de deur maar open. Dan zien we Jan zitten in de hoek bij het raam, pet op zijn hoofd, stuurs kijkend naar de binnenkomende. ‘Goedendag Sprenkelder, mogen we even een praatje maken?’ ‘I’j bunt zeker van de belastingen’, is het antwoord, terwijl zijn blik is gevestigd op de aktetas.’
Maar nadat het ijs gebroken is begint Jan uitvoerig te vertellen. ‘Alles rondom is veranderd, Stuifveen en Mellinkveen zijn ontgonnen. Vroeger kon je van hieruit over de heide heen Harreveld zien liggen, nu staat er maïs en is het uitzicht weg. De veranderingen in de bewoonde wereld zijn ook aan ons niet onopgemerkt voorbij gegaan. We leefden hier vroeger nog met zijn allen van het eiergeld van zo’n zeventig kippen en de melk van een paar koeien, zo prijst Jan de oude tijden. Zoals gezegd tot aan Harreveld toe was alles veen en hei. We liepen als schoolkinderen dwars door de heide, daar was zo’n diep pad uitgesleten, zo diep als een varkenstrog. In een natte tijd kwamen we dan ook op school met kletsnatte voeten. Dan mochten we bij de kachel gaan zitten om de klompen en voeten te drogen. Op de weg naar school kwamen we nog langs een plaggenhut, waar het echtpaar Aalderink in woonde. … Hier in de heide werden vroeger veel schollen gemaaid als stalstrooisel. In het voorjaar werd een stuk heide afgebrand en dan begon het plaggensteken.’
 
Het Wolfersveen (vroeger het Herenveen) was van oorsprong domeingrond die rechtstreeks toebehoorde aan eerst de hertogen van Gelre en later de stadhouders van Oranje. Pas rond 1825 werden de meeste van deze domeingronden verdeeld en verkocht aan de boeren in de marke. Hier vooral –weide, -maot, -kölke en –gat, hoewel ook –horst en –bulten wel voorkomen bij kenmerkende verhogingen in een voornamelijk laaggelegen landschap. Ook de uitgang –kluungat komt hier voor, wat wijst op het winnen van turf. Ook de uitgang ’t Ziene of ’t Ziende komt in het Wolfersveen een aantal keren voor (Knaake ’t Ziende, Arfmans het Ziene), een type benaming die vooral wat verderop veel voorkomt, in de streken rond Zieuwent en Mariënvelde.

 
Namen van voor 1650

De naam Widapa komen we dus niet meer tegen, maar dat neemt niet weg dat sommige namen al vele eeuwen oud zijn. Zo komen we in het verpondingscohier al tegen ‘Snijders Breyde in ’t Soerlant in den Enck’. (Het verpondingscohier dateert uit de jaren 1646-1650. Het bevat per gemeente een inventarisatie van alle onroerend goed en vormde de basis voor een nieuwe belasting). De namen Breide en Soerlant zijn ook opgetekend tijdens het veldnamenonderzoek, in het gebied tussen Hummeloseweg en Doetinchemseweg. De naam Soerlant is door de gemeente gebruikt als naam voor het nieuwbouwplan dat in de jaren negentig is verrezen in dit gebied. Aanvankelijk zou de nieuwe wijk Enkhoven gaan heten, maar uiteindelijk heeft de gemeente toch gekozen voor de bestaande naam Soerlant voor dit gebied. De naam Breide leeft voort als straatnaam, net als Oldenoord dat in 1646-1650 als Oldenort werd opgetekend. Veldnamen als Hietland, Platweerd, ’t Weitjen, Lindestuk en Ganzenebbe zijn op het Soerlant eveneens gebruikt bij de naamgeving voor het stratenplan. Dat geldt ook voor het Juttepad, dat in vroeger tijden als Jöddenpad onder de bevolking bekend stond. Hierlangs trokken de veehandelaren met hun levende have naar de markt in Doetinchem, weet veldwerker Henk Toonk te vertellen. Voor de mensen in de Wassinkbrink was het tevens kerkepad richting het dorp. Vanaf de Smidstraat, op het punt waar nu de apotheker is gevestigd, kronkelde het Juttepad zich eerst tussen twee grote heggen richting Zevenweg, om vandaar tussen de bouwlanden af te buigen richting het bosje aan de Boeninksteeg. Vervolgens slingerde de weg rond boerderij Boenink en daarna linksaf via het huidige Kikvorsendieksken, tussen de boerderijen de Grote Bieshorst en de Olde Schreur door, richting Broekstraat. Om vervolgens op de Oude Rozengaardseweg in Doetinchem uit te komen.
Waar het Juttepad vroeger uitkwam op de Smidstraat, naast de apotheker, ging men iets naar rechts en daar bij de latere stoffenwinkel van Somsen (nu de modezaak van Beke) hadden de mensen vroeger ‘den Angank’. Hier haalde men zondags voor het ter kerke gaan warme kolen voor de stoven, zodat men tijdens de dienst niet geplaagd werd door koude voeten.
 
Aan de Broekstraat stond vroeger, bij boerderij Hoefslag, tot voor enkele jaren nog een markant zeskantig gebouwtje, weet Toonk zich nog te herinneren. De laatste jaren was het in gebruik als kalverschuurtje en als duiventil. Hier hield de rentmeester van het Gasthuis in Doesburg, waaronder veel boerderijen en gronden in deze buurt vielen (ook Toonk/Gasthuisplaats aan de Hummeloseweg viel eronder), jaarlijks zitting om de pacht te innen van de boeren.

 
Smoks Hanne

Langs de Brinkweg vinden we de naam Lemkesbeumken, op de plaats ongeveer waar nu Polyketting staat. Het wordt omschreven als hogere zwarte grond, waarop vroeger één boom had gestaan. Het was een kenmerkend punt, omdat men hier in feite het dorp Zelhem binnenging vanaf de zuidkant. In de boom zou vroeger een lamp hebben gehangen om de naderende reiziger bij te lichten en daar zou de naam Lemkesbeumken vanaf zijn geleid.
Lemkesbeumken lag aan de Barinkweg, die vanaf de Brinkweg richting Heidenhoek liep. Het was de ‘lijkenweg’, waarlangs de begrafenisstoet vanuit de Heidenhoek richting Zelhem trok. Als de stoet bij Lemkesbeumken was werd ze zichtbaar vanuit de kerktoren en begon men te luiden.
In de buurt van Lemkesbeumken woonden vroeger de kolenbranders in eenvoudige plaggenhutten. Daar woonde ook Smoks Hanne, die zo’n prominente rol speelt bij de viering van het 1200-jarig bestaan. Veel is er van Smoks Hanne niet bekend. Ze moet een kruidenvrouwtje geweest zijn, met genezende krachten en met helderziende gaven, ergens in de negentiende eeuw. Ze moet een markante figuur geweest zijn in het oude Zelhem, anders was haar naam niet zo lang blijven hangen. De legendes die de mensen rond haar persoon hebben geweven zijn met de jaren echter steeds grootser en grotesker geworden. Inmiddels is ze gepromoveerd tot een soort (goede) toverheks en dat leidt ongetwijfeld weer tot nieuwe prikkelingen van de fantasie. Het arme oude vrouwtje zou hoogst verbaasd zijn met al die postume aandacht.
Met Smoks Hanne zijn we weer terug bij de viering van het 1200-jarig bestaan van Zelhem, waarvan zij in velerlei vormen en gedaantes onderdeel vormt. Een viering die zoals gezegd zijn oorsprong vindt in dat stukje grond met de veldnaam Widapa.

Noot van de Webmaster:
De naam van de auteur helaas nog niet kunnen achterhalen.