Hoe het reilde en zeilde in 1882


Zelhem was in de jaren voor 1900 een klein, geïsoleerd dorp in de Achterhoek. Er was slechts één verharde weg, een grintweg,die aansluiting gaf op de H.E.K. in de Wittebrink.Verder waren er slechts onverharde zandwegen naar Doetinchem, Hengelo, Ruurlo en Halle. Deze wegen waren vaak onvoorstelbaar slecht.

Het dorp was maar klein. Middelpunt was de Ned. herv. kerk aan de Markt. Daaromheen en daartegenover stonden wat huizen. Van de Markt langs de kerk, de oude O.L. school en het gemeentehuis liep de Koestraat. Daarlangs werden de koeien van de dorpelingen ‘s morgens na het melken naar de Meene geleid en ‘s avonds weer terug naar de stal. Elke inwoner van het dorp had voor 1900 wel een koe of eengeit. Zelfs de dominee, de schoolmeester en de winkelier hadden een koe. Een arme weduwe moest het doen met een geit. Een zak groenvoer mocht ze plukken uit de haver of rogge bij een boer. Dat was onkruid tussen het graan. De gemeente Zelhem werd in 1882 verdeeld in een aantal wijken terwille van het postverkeer en de woningadministratie van de gemeente. Alle woonhuizen en gebouwen zullen behalve met de wijkletter doorlopend genummerd worden met cijfers.
Het dorp was wijk A. Daar waren 174 huisnummers. De Vogelschacht, woning van de familie Bieleman had nummer 173 en het oude liedenhuis aan de Weverstraat droeg nummer 174. Wijlen timmerman Hobelman uit Halle-Heide vertelde dat hij de plaatjes eens vernieuwd had in de Oosterwijk. Dat moest namelijk eenmaal in de tien jaar gebeuren. Na de tweede wereldoorlog is de nummering per straat ingevoerd. Net als voor de laatste oorlog waren er 374 huisnummers in het dorp.

In een dorp als Zelhem moet orde en regel zijn.
Er werden heel wat boetes uitgedeeld aan boeren en burgers, die zich niet aan de regels hielden.
Dat waren eerst de voorschriften en regels van de Mark: de Zelhemmer of Hattemer Mark werd opgeheven in 1829, waarna de gemeente in vol ornaat te voorschijn kwam, met aan het hoofd de Burgemeester.
Daarom werd er in 1882 een politieverordening opgesteld, die van start ging op 11 juni 1882. Burgemeester Gijseweenink en wethouder Buursink hebben de verordening persoonlijk ondertekend en er zo wetskracht aan verleend.
De verordening is verdeeld in negen hoofdstukken met in totaal 93 artikelen. Bij het doorlezen van die politieverordening krijgt men inzicht in wat er zich zoal afspeelde in het dorp en ook hoe men leefde.



Art. 1 t/m 3 gaat over vreemdelingen.
‘Herbergiers moeten eenmaal per week aangifte doen bij de burgemeester van personen, die bij hen vertoefd hebben’.

Art. 4 t/m 10 handelen over toezicht op etenswaren.
‘Bakkers mogen slechts volkorenmeel gebruiken voor het bakken van brood. Ze mogen geen roggebrood verkopen dat niet gemerkt is met hun initialen’.
‘Slagers mogen slechts deuglijk vlees en spek verkopen’.

Een derde hoofdstuk is getiteld:
‘Toezicht op het vee’.
‘Pluimgedierte, geiten en varkens mogen slechts rondlopen op eigen grond. Houders van springstieren mogen deze dieren niet anders buiten laten lopen dan met een ijzeren ketting aan een paal en tenminste 16 meter van de weg. Men mag vee niet aan of op een openbare weg laten dekken. Schaapskudden moeten vergezeld zijn van een herder en -eenige derzelve- (schapen) moeten voorzien zijn van een bel’.
Als de kuddde er aan kwam, konden de mensen dit horen en konden ze de wacht betrekken bij hun moestuin.

Koestraat rond 1900 Zelhem
De Koestraat rond 1900. Thans de Burgemeester Rijpstrastraat, in de boerderij rechts is nu de bibliotheek gevestigd.

‘Loslopende en/of bijterige honden moeten van een muilkorf voorzien zijn, evenals trekhonden’. Honden geven vaak moeite in
het verkeer, evenals fietsen. Fietsen ging zo snel.

In een andere politieverordening lezen we:
‘Nadert een velocipedist een met paard bespannen voertuig, dan stappe de velocipedist van zijn velo, stelle zich op terzijde van de weg, bedekke de stuurknuppel zijner velo met de panden zijner jas opdat het paard niet schrikke’.

Netheid en reinheid moeten er ook zijn in het dorp.
‘Niemand mag binnen een afstand van vier meter van de weg in het dorp zetten mijten of hoopen van hout, hooi, kooren of stroo, veelmin plaggen-, mest- of aschhoopen, noch mestvaalten en evenmin gier of water van de weg laten aflopen’.

Veel aandacht wordt besteed aan wegen en waterlopen.
Maar extra aandacht krijgen vuur en brand. Er is immers zoveel brandbaar materiaal aanwezig. Hout, hooi, stro, rieten daken, open vuur in de huizen, ashopen, enz. Daarom volgen er regels ten aanzien van de vuurplaats, de schoorsteen, het lopen met open vuur, het drogen van vlas en hennep voor het braken.
Het is zelfs verboden
‘te roken uit ene pijp, die niet met een dop is afgedekt. Aschhoopen moeten 20 m. van de gebouwen worden gelegd. Het roosteren van vlas en hennep moet gebeuren 60 m. van de woningen’.
Er zijn ook de nodige voorzieningen getroffen ter voorkoming en blussing van brand. Ook van groot belang is de orde en veiligheid in het dorp.

Pasted Graphic 1
De Smidsstraat richting Markt rond 1900.
In het eerste huis links is nu bakkerij Henry Scholten gevestigd. Het grote pand rechts is nu de apotheek.

Burgemeester en wethouders bepalen, dat er wacht gelopen moet worden, wanneer en hoelang en door hoeveel personen.
‘De rotmeester met zijn helpers gaan in stilte rond en onthouden zich van ongeregeldheden’. Dat laatste zal wel in verband staan met het feit dat vele nachtelijke diensturen doorgebracht werden in een van de herbergen onder het genot van een hartversterkertje.
Kortom, ze moesten hun dienst behoorlijk verrichten.
‘De wachthebbenden moeten zijn voorzien van stokken, pieken of dergelijke wapenen; de aanvoerder van de wacht kan zich voorzien van pistool of geweer’. Dat is art. 87.

Uit de Zelhemse politieverordening van 1882
(opgetekend door G.J. van Roekel in het Groot Jubileumboek Zelhem 1200)