Het Zelhem dat Ludger aantrof:
Zelhem is nu een hoog en droog plateau dat, licht verheven en centraal, nergens het water van de beide omringende rivieren IJssel en de Berkel raakt. Maar vroeger was dat anders. Want als we 50.000 jaar terugkijken in de tijd, zien we een brede rivier die met een boog door het westelijke deel van het kale Zelhemse land trekt. Deze rivier is de voorloper van de IJssel, maar dan een eindeloos uitvergroot en bovendien zeer snel stromend water. Ze bestaat uit tientallen parallelle waterbanen die, als in een gigantisch spel van kwikzilver, telkens uiteen wijken voor zandplaten om zich onmiddellijk daarna weer ineen te vlechten. Het water is ijskoud, want het is smeltwater van de grote gletsjers die enorme delen van Europa overdekken. Ten oosten van de rivier ligt een uitgestrekte zandvlakte, waar de wind vrij spel heeft. Planten groeien er nauwelijks in deze koude streek en dieren of mensen kunnen er uiteraard al helemaal niet leven. In de loop van enkele tienduizenden jaren neemt de breedte van de stroom echter geleidelijk af en tegelijkertijd verlegt ze haar bedding met horten en stoten verder naar het westen. Ongeveer 15.000 jaar geleden is dat proces voltooid en resteren er in ons gebied nog slechts littekens van haar vroegere aanwezigheid: namelijk twee terrasresten, waarvan er een al geheel droog gevallen is en alleen de meest westelijke en laagste nog een restje water bevat. Ook de planten keren weer en masse naar dit gebied terug. Zij het eerst alleen laagblijvende soorten, zodat het gebied vooral lijkt op de toendravlaktes die later tot het hoge noorden van het continent beperkt zijn. Rendieren en andere grote grazers vinden hier in de zomer een goed bestaan en het duurt daarom niet lang voordat hun sporen door de mensen naar hier worden gevolgd. Deze jagers-verzamelaars zijn in het geheel niet primitief, ze zijn biologisch geheel gelijk aan ons, en kennen een uitgebreide en gespecialiseerde set hulpmiddelen om in deze barre omstandigheden te kunnen overleven. Ze wonen in tenten, vervaardigen dikke kledingstukken uit rendierhuid en kappen vele soorten vuurstenen werktuigen uit klingen, om er allerlei bijzondere karweitjes mee te verrichten. Deze jagers lijken uiterlijk nog het meest op de huidige Lappen en Eskimo's. Ze wandelen jaarlijks over enorme afstanden langs de trekroutes, hun buit achterna. In Zelhem zijn nog niet veel vondsten uit hun tijd gedaan, maar uit de omgeving van de Totenbulten in het Wolfersveen kennen we toch een enkel werktuig van vuursteen.
Geleidelijk werden het klimaat beter en de begroeiing hoger, totdat ruim 10.000 jaar geleden, het bos weer helemaal terug was. De rendierjagers waren inmiddels door dit oprukkende bomenfront verdreven, zij volgden hun prooien naar noordelijker gelegen jachtgebieden. De tenten verdwenen uit het land, om plaats te maken voor hutten van boombladeren en riet, de Midden-Steentijd brak aan. De mensen uit die tijd, ook jagers/verzamelaars, waren veel luchtiger gekleed, want de temperatuur destijds was al vergelijkbaar met die van nu. Zij joegen vooral op klein wild en vogels en visten veel. Bij voorkeur verplaatsten ze zich van jachtkamp naar jachtkamp in boomstamkano's. Ze leefden daarom vooral langs de waterkant. Hun sporen zijn ook weer gevonden in het Wolfersveen, dat toen nog geen veen was, maar al wel een gebied vormde met veel stagnerend water.
Vanaf 6500 jaar geleden kunnen we in onze streken de eerste sporen verwachten van het aanbreken der nieuwe tijd: het Neolithicum, het tijdperk van akkers en boeren. Deze mensen maakten aardewerk en droegen geweven kleding. Naast de eerste echte boerderijen zien we voor het eerst ook alledaagse huisdieren als varkens, schapen en runderen in het landschap verschijnen. Dit was dus een echte economische revolutie in de geschiedenis van de streek, al kwam ze dan wat langzaam op gang. Hiermee werd de grondslag gelegd voor de belangrijkste bestaanswijze die de Zelhemmers tot in onze tijd hebben beoefend, namelijk de landbouw. Feitelijk krijgen we pas echt zicht op deze brave nieuwe wereld, vanaf een tijdstip ongeveer 5500 jaar geleden en dat dan alleen nog in de vorm van vuurstenen bijlen. Zelhems bodem heeft precies 22 van deze laat-prehistorische voorwerpen vrijgegeven. Bijlen waren destijds onmisbare werktuigen, maar ze werden niet alleen gebruikt om er bomen mee om te kappen, maar waren ook als statussymbool belangrijk. Met sommige versierde exemplaren is dan ook nauwelijks hout gehakt; een man droeg die op zijn heup om ermee te pronken en misschien ook om er af en toe mee te dreigen. Dit is de man, dit is zijn bijl, zoiets. De oudste aardewerkscherven die tot nu toe op Zelhems territorium zijn gevonden zijn 4000 tot 4500 jaar oud. Ze stammen uit de zogenoemde Klokbekercultuur. We kunnen voorlopig echter nog geen greep krijgen op de toenmalige boerderijen en nederzettingen in deze streek. Maar het is heel goed mogelijk dat ze ergens onder de Zelhemse Enk begraven liggen, of in het zandgebied dat ten oosten daarvan ligt. Want zoals tal van vondsten elders in de Achterhoek aantonen, zijn ze er ongetwijfeld geweest.
Het duurt echter nog tot de overgang tussen de Brons- en de IJzertijd, zo'n 2800 jaar geleden voordat we de eerste Zelhemmer lijfelijk ontmoeten, zij het dan wel als gecremeerde dode. Bij opgravingen op 't Blek is een zogenoemde kringgreppel gevonden die een grafkuil uit die periode omcirkelde. De resten van de overledene waren helaas niet goed meer herkenbaar. Naast deze vondst kennen we er meer: resten van grafvelden uit iets latere periodes zijn ontdekt op de Pottenbult in het Wolfersveen en bij de boerderij 't Nijenhaoven. De naam Pottenbult kan geen toeval zijn: het is namelijk een exacte omschrijving van wat hier werd aangetroffen: lage heuveltjes in het terrein, waaronder 'potten' begraven lagen, oftewel urnen. We kennen nog zo'n veelzeggende naam uit de gemeente, namelijk de 'Totenbulten' vermoedelijk een iets ouder urnenveld. Het meer dan 2500 jaar oude grafveld op de Pottenbult werd in 1942 onderzocht door archeologen van het Rijksmuseum van Oudheden. Zij ontdekten talrijke ronde kringgreppels, die werden doorsneden door jongere rechthoekige grafslootjes. Op deze plek moeten mensen uit een nabije nederzetting enkele honderden jaren lang hun doden hebben bijgezet. Waar dat dorp lag laat zich voorlopig alleen nog maar vermoeden.
De Romeinse periode brengt ons de eerste aanwijzing voor wat lang Zelhems enige industrie zal zijn: de winning van ijzeroer. Aan de Doetinchemse weg is in 1999 een laag met honderden smeedslakken blootgelegd, als stille getuigen van deze traditionele bezigheid.
In de vroege Middeleeuwen duiken dan uiteindelijk de eerst herkenbare huizen op, zij het uiteraard alleen in de vorm van voor archeologen herkenbare grondverkleuringen. De opgraving aan de Hummeloscheweg, in het kader van de aanleg van de nieuwe rondweg in 2004, levert een 'dorpje' op van zes huizen, drie bijbehorende schuren en twee 'spiekers' voor de opslag van graan. Het moet rond 600 na Chr. hebben bestaan en werd door een palissade beschermd. De huizen dateren uit verschillende perioden, zodat er waarschijnlijk maar twee erven tegelijkertijd hebben bestaan. De jaarringen van een houtmonster, genomen uit een waterput van het dorp, leveren het jaartal 621 na Chr. op, als kapdatum van de boom.
Daarmee naderen we dan het begin van de historie voor Zelhem. Als we voor het eerst in een geschreven bron, uit 801, de naam Zelhem vinden, luidt die in het Latijn: 'in villa Salehem'. Villa heeft dan de algemene betekenis van 'nederzetting','dorp' of 'landgoed'.

Maar de naam Salehem zou volgens sommige auteurs toch al veel eerder zijn genoemd en wel op een zeer bijzondere plek. Namelijk; in het oudste Frankische wetboek, de 'Lex Salica' dat rond 500, op bevel van de Merovingische koningen in Frankrijk, als herinnering aan de voorvaderlijke gewoonten werd opgetekend. De voorouders van die veroveraars van Romeins Gallië, waren immers een eeuw of twee eerder uit Oost- en Noord Nederland (Salland) naar het zuiden getrokken. In dit wetboek, waarin trouwens ook het oudste Nederlandse zinnetje staat opgetekend, wordt een nog onbekende plaats 'Salehem' vermeld. Was dit Salehem identiek met Zelhem? Dat is een boeiende puzzel voor taalkundigen. Allereerst is heem, -hem of -heim een achtervoegsel dat in de Vroege Middeleeuwen 'dorp of nederzetting' betekende. 'Sale' kan 'zaal' of 'hal' zijn. Het 'Salehem' in de Lex Salica zou dan als 'nederzetting met ontvangsthal' kunnen worden vertaald. Wat moeten we ons precies voorstellen bij een ontvangsthal in een oud-Germaanse nederzetting? Wel, gastvrijheid gold destijds als plicht. Om gasten gepast (en met afstand) te kunnen ontvangen, kon een dorp of heer een ontvangstruimte annex slaapzaal voor bezoekers bouwen. Er zijn voorbeelden van zulke hallen gevonden op de Noord-Duitse terpen uit het jaar 100, maar ook de Laat-Middeleeuwse kloosters en steden exploiteerden nog 'gasthuizen' om bezoekers onder te brengen. Salehem zal met haar hal dan ook zeker een nederzetting van belang zijn geweest.