Werk en Leven van Ludger in een Notendop
Speech van Gerard Bomers, voorzitter Ludgerkring Oost-Gelderland ter gelegenheid van de opening het Ludgerkerkje op 7 oktober 2006Wie St.-Ludger (ook: Liudger, Ludgerus) was, dat leert ons zijn geschiedenis. De historische Ludger is de bron van de verhalen die we over hem vertellen. Maar we weten dat het ook andersom is: de verhalen die we over hem vertellen, maken Ludger tot wie hij was. De man maakt het verhaal, maar het verhaal maakt ook de man. Is het stil rond Ludger, dan leeft hij niet. Ik heb de indruk dat het lange tijd zo geweest is, althans in Nederland. Hij had voor ons kunnen gaan leven in Rome zo’n 20 geleden geleden, toen daar, vlakbij de St.-Pieter, een bestaande kerk tot Kerk der Friezen werd, bestemd voor Nederlanders die daar wonen en voor toeristen, katholiek en protestants-christelijk. Willibrord, Bonifatius en Lebuïnus zijn daar zichtbaar aanwezig; die leven daar, Ludger niet. Ludger ging wel leven op een plaats waar je het niet meteen zou verwachten, in de nieuwe Bavo in Haarlem. Daar werd in 1989 in een rij van 21 nissen boven de zeven arcaden in de absis een eregalerij van mannen en vrouwen opgericht. Personen door de tijden heen die zich door de H.-Geest zó hebben laten inspireren, dat tot vandaag bezieling van hen uitgaat. Op de eerste plaats in die galerij Ludger, de voltooier van het werk van zijn voorgangers. Dat beeld, een glasmozaïek, is de icoon van de grote Ludgerestafette van een paar jaar geleden geworden, die ook Zelhem aandeed. Maar daar leefde hij al, door de feiten die waren blootgelegd, door de verhalen die werden verteld en door het twaalfde eeuwfeest dat op zijn aanwezigheid in Zelhem is gefundeerd.
Ludger werd geboren in Suabsna (plaatsaanduiding van ongeveer een eeuw na zijn dood) boven Utrecht. Vlak erboven, zeggen ze in Zuilen. Nee iets verder, bij Breukelen, zeggen anderen. Het was 742, drie jaar na de dood van Willibrord en twaalf jaar voor de moord op Bonifatius. Dat hij en zijn familie als Friezen van geboorte het christelijk geloof aannamen, maakte het leven moeilijk. Want voor de Friezen betekende dat heulen met hun vijand, de Franken. Anderzijds had Ludger het geluk onderwijs te kunnen volgen bij abt Gregorius aan de domschool in Utrecht. Het moet hem zeer zijn bevallen. Hij studeerde er twaalf jaar, tot 767, het jaar waarin hij diaken werd. Daarna volgden er tien jaren waarin hij zich verder bekwaamde en daarvoor twee keer in York in Engeland kwam, waar de grote Alcuïn zijn leermeester was. Hij deed in die jaren ook enig missioneringswerk in Deventer in de voetsporen van de inmiddels overleden Lebuïnus, wiens in brand gestoken kerkje hij herbouwde. Vier jaar werkte hij als leraar op zijn oude school in Utrecht, waar hij als monnink leefde. Pas in 777, toen hij 35 jaar was, werd hij priester. In 791 weigerde hij de door Karel de Grote aangeboden bisschopszetel van Trier. Bisschop van Münster werd hij pas in 805, 63 jaar oud en vier jaar voor zijn dood.
Geen man dus die over één nacht ijs ging, laat staan iemand die het beeld oproept van een Draufgänger, die in al te blinde geloofsijver zijn bekeringswerk deed. Ludger maakt meer de indruk – en dat is natuurlijk mede óns verhaal en beeld van hem – een man van deze tijd te zijn. Hij wilde rekening houden met de eigen cultuur van de mensen op zijn weg. Dit laatste moet je vooral ook letterlijk nemen. In overeenstemming met zijn Angelsaksische confraters leefde en werkte hij volgens het principe van de ‘peregrinatio’: hij evangeliseerde niet vauit een vaste plaats maar vanuit een bestaan als zwervende gezant in dienst van de Blijde Boodschap. En het was in zijn geval ook heel praktisch om zo te werken. Door de vijandschap tussen de Friezen, Franken en Saksen moest hij vaak zijn werk om veiligheidsredenen al of niet tijdelijk afbreken. De gewelddadige dood van Bonifatius was niet vergeten. Hij moest de eerste keer wijken, toen hij, vanaf 777, zendingswerk deed onder zijn landgenoten in het noorden. Hij trok naar Rome en Monte Cassino, waar hij 2-1/2 jaar in de abdij van Benedictus als monnik leefde. Na een kort bezoek aan Helgoland zette hij van 787 tot 792 zijn werk voort in de Ommelanden, nu deel van Gronigen en Ostfriesland in Duitsland. Ook dat moest hij achter zich laten. Zijn nieuwe gebied werd onder meer de huidige Achterhoek.
Gelet op wat over Ludgers manier van leven en missioneren bekend is, moet hij het moeilijk hebben gehad met de wijze waarop Karel de Grote de opstandige Saksen onderwierp en dwong het christelijk geloof aan te nemen. Karel verdeelde het Saksenland al in 792, nog voordat het volledig was gepacificeerd in acht bisdommen, waarvan Münster er een was en het gebied werd waar Ludger zijn werk deed en in 805 bisschop werd. Het omvatte de Achterhoek en Westfalen. Hij was ook hier voortzetter en voltooier van het werk van anderen, onder wie abt Benrad en Lebuïnus. Ludger is zijn werk in de Achterhoek begonnen vanuit de veilige want Frankische Veluwe: Hall richting Brummen. Bewaard gebleven is de akte waarin een zekere Wrachar hem in 794 landerijen in de ‘hof van Withmundi’ tussen Baak en Wichmond schenkt. De overkant van de IJsel dus al. Hij heeft hier een kerkje gebouwd, dat in 1582 door een overstroming is verwoest. Withmundi is voor Ludger een soort vertrekpunt naar Westfalen geworden. Die weg liep in elk geval over Zelhem, zo weten alle Zelhemmers sinds 2001, het jaar van hun twaalfde eeuwfeest. Bij die andere bewaard gebleven akte, waarin sprake is van de hoeve Widapa in Salehem, is toen langdurig stilgestaan. Zodoende ook bij de oorspronkelijke, aan Lambertus gewijde kerk die Ludger bouwde. Die begint vandaag aan zijn tweede leven.
Het leven van Ludger is omgeven met verhalen. De geschiedkundig meer onzekere daaronder, de legenden, maken zijn beeld - daar zijn het legenden voor – vaak nog levendiger dan de historische verhalen. De bekendste legende is die van Ludger en de ganzen. Omdat het een legende is, mogen we gerust aannemen, dat het een tafereel uit 801 is, het jaar van de genoemde akte en Ludgers aangetoonde aanwezigheid in Zelhem. Hier, in Zelhem dus speelt die legende. De boeren hebben het op hun arme gronden moeillijk en worden geplaagd door natuurrampen. Daar komt nog een plaag van duizenden ganzen bij. Wat de boeren ook doen om ze te verjagen, ze blijven komen en de boel helemaal kaal vreten. De boeren klampen Ludger aan voor hulp ...
(volgt: tafereel van drie Zelhemse boeren met ganzen en Ludger)
Meer weten van Ludger ? Klik hier voor de website van de Ludgerkring Oost Gelderland.